Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8211

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
08-2226 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning zwangerschaps- en bevallingsuitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg. De vermoedelijke bevallingsdatum van appellante valt niet binnen de termijn van 10 weken na de datum van haar ontslag. Appellante heeft die feiten niet betwist. Ten aanzien van het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel is niet gebleken dat bij appellante in rechte te honoreren verwachtingen waren gewekt. Telefonische gesprekken worden niet aangemerkt als een toezegging, gedaan door of namens het tot beslissen bevoegde bestuursorgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2226 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te Curaçao (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2008 , 06/5795 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.M. van Haaften.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij brief van 10 april 2006 heeft appellante het Uwv verzocht om haar een zwangerschaps- en bevallingsuitkering zoals bedoeld in artikel 3:10 van de Wet arbeid en zorg (WAZO) toe te kennen. Appellante was ten tijde van de aanvraag werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming. In verband met haar verhuizing naar Curaçao op 20 mei 2006 is het dienstverband op haar verzoek met ingang van 19 mei 2006 beëindigd.

1.2. Bij besluit van 25 juli 2006 is het verzoek van appellante afgewezen op de grond dat de vermoedelijke bevallingsdatum van 13 september 2006 niet binnen de termijn van 10 weken na het einde dienstverband ligt. Bij besluit van 24 oktober 2006 is die afwijzing na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vermoedelijke bevallingsdatum van appellante niet valt binnen de termijn van 10 weken na de datum van haar ontslag en dat appellante die feiten niet heeft betwist. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 3:10 van de WAZO, appellante terecht geen uitkering heeft toegekend. Ten aanzien van het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel oordeelde de rechtbank dat niet was gebleken dat bij appellante in rechte te honoreren verwachtingen waren gewekt.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Op grond van artikel 3:10, eerste lid, van de WAZO komt een recht op uitkering als bedoeld in de artikelen 3:7, eerste lid, en 3:8, eerste lid, mede toe aan een vrouw wier bevalling waarschijnlijk is onderscheidenlijk plaatsvindt, binnen een periode van 10 weken na het tijdstip dat zij niet langer werknemer of gelijkgestelde is als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de WAZO. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat appellante deze feiten niet heeft betwist. Het Uwv heeft mitsdien terecht bepaald dat appellante geen recht heeft op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering.

3.2. Met betrekking tot het beroep dat appellante heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel overweegt de Raad - evenals de rechtbank - dat dit slechts kan slagen indien door of namens een tot beslissen bevoegd bestuursorgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij de aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat haar telefonisch op 19 mei 2006 en op 23 juni 2006 door medewerkers van het Uwv - waaronder een zekere heer Mouser - was toegezegd dat zij voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering in aanmerking zou komen. Volgens de heer Mouser zou de eerste betaling plaatsvinden op 3 augustus 2006. Naar het oordeel van de Raad kunnen deze telefonische gesprekken niet worden aangemerkt als een toezegging, gedaan door of namens het tot beslissen bevoegde bestuursorgaan. Dat appellante meent dat iedere medewerker van het Uwv namens het Uwv zijn werkzaamheden uitvoert en - naar de Raad begrijpt - daarmee ook als een tot beslissen bevoegd bestuursorgaan moet worden aangemerkt, maakt dat niet anders. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan derhalve niet slagen.

4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

JL