Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
08-1038 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om als burger-oorlogsslachtoffer in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid onder a en b, of f, van de Wet. Hieruit volgt dat de door en namens appellant tevens naar voren gebrachte ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe appellant behoorde heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode op zichzelf niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1038 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 28 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 28 december 2007, kenmerk BZ 7891, JZ/O60/2007 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2009. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn zoon M.R. Kamphorst, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op gezondheidsklachten, die naar zijn mening een gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 8 juni 2007, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, aangezien in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

2. In bezwaar en beroep is door en namens appellant uitvoerig en gedetailleerd aangegeven dat wel degelijk sprake is geweest van door hem ondervonden oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

3.1 Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

3.2 Als specifieke eigen oorlogservaringen heeft appellant naar voren gebracht zijn eigen mishandeling wegens het niet buigen voor een Japanner en het getuige zijn van mishan-deling van medewerkers van de nabijgelegen Goodyearfabriek tijdens de Japanse bezettingsperiode, alsmede het meemaken van zeer bedreigende omstandigheden tijdens de Bersiap-periode waardoor zij gedwongen werden bescherming te zoeken in Het Ursulinenklooster te Buitenzorg. Verder heeft appellant erop gewezen dat zijn vader als krijgsgevangene is weggevoerd en is omgekomen.

3.3. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, voorop dat algemene oorlogs-omstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid onder a en b, of f, van de Wet.

Hieruit volgt dat de door en namens appellant tevens naar voren gebrachte ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe appellant behoorde heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode op zichzelf niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

3.4. Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij archieven en algemene historische documenten alsmede bij verweerster bekende dossiers van familieleden van appellant en van de door hem genoemde getuige P.J.T. Bik zijn geraadpleegd, is geen onafhankelijke directe bevestiging gevonden van persoonlijke betrokkenheid van appellant bij oorlogscalamiteiten in de zin van de Wet. In dit verband deelt de Raad de opvatting van verweerster dat aan de getuigenis van de door appellant opgegeven getuige Bik, geboren op 21 juni 1941, vanwege zijn leeftijd ten tijde van de Japanse bezetting en kort daarna geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Verder is van belang dat de Raad eerder heeft uitgesproken dat het krijgen van klappen vanwege het niet buigen voor een Japanner alleen in extreme gevallen als calamiteit kan gelden.

3.5. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 met de vervolgde is gelijkgesteld wegens psychische klachten die verband houden met het omkomen van zijn vader in Japanse krijgsgevangenschap. De Wet kent niet de mogelijkheid om een zodanige gebeurtenis en de gevolgen daarvan in aanmerking te nemen.

3.6. Appellant heeft nog aangevoerd dat de door hem genoemde getuige Bik wel op basis van zijn evacuatie naar een beschermingskamp is erkend als burger-oorlogsslachtoffer terwijl die erkenning appellant is onthouden ofschoon zij destijds in dezelfde wijk en dezelfde kampen hebben verbleven. Verweerster heeft hierover verklaard dat de erkenning van Bik achteraf gezien op een te summiere verificatie heeft berust en derhalve in het geval van appellant niet kan worden nagevolgd.

Onder deze omstandigheden, aan de juistheid waarvan geen reden bestaat tot twijfel, kan appellant aan het zogenoemde gelijkheidsbeginsel geen aanspraken ontlenen.

4. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden.

De Raad hecht eraan nog op te merken dat hiermee niet is beoogd te miskennen dat appellant tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan individuele, directe betrokkenheid bij de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2009.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) I. Mos.

HD