Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
08-5232 CSV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffing premie. Boete. Terecht werkgeversgezag aangenomen. Z. verrichtte werkzaamheden als art director op basis van een globale offerte en facturering achteraf. Premieplichtige had eindverantwoordelijkheid en kon sturing geven die verder reikte dan het bewaken van de voortgang of de randvoorwaarden. Dat Z. in de uitvoering een vergaande mate van vrijheid had bij het ontwikkelen en uitwerken van creatieve oplossingen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5232 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 juli 2008, 08/362, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 9 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene hebben mr. E.R. van Drunen en mr. F.J. de Wijs, als belastingadviseur verbonden aan RSM Niehe Lanceé Belastingsadviseurs NV te Haarlem, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Segers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voor betrokkene zijn verschenen B.G.M. van Os, directeur, en mr. De Wijs.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

2.1. Betrokkene exploiteert een reclamebureau. Op 13 januari 2007 is bij betrokkene vanwege het Uwv door de Belastingdienst Holland Midden, kantoor Haarlem, een looncontrole uitgevoerd betreffende de jaren 2002 tot en met 2005. Naar aanleiding daarvan zijn aan betrokkene over de jaren 2002 tot en met 2004 correctienota’s opgelegd, waarbij premies zijn nageheven over de door betrokkene aan [naam Z.] (hierna: [naam Z.]) in die jaren gedane betalingen. Tevens zijn over genoemde jaren boeten opgelegd.

2.2. Bij besluit van 23 november 2007 heeft het Uwv de bezwaren tegen de opgelegde nota’s ongegrond verklaard. Aan dat besluit is, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat [naam Z.] in de onderhavige arbeidsverhouding bij betrokkene werkzaam is onder werkgeversgezag.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 23 november 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. In aanmerking genomen dat [naam Z.] een startende ondernemer was achtte de rechtbank diens afhankelijkheid van betrokkene niet zodanig dat op grond hiervan sprake is van een gezagsverhouding. Dat betrokkene zich tussentijds op de hoogte stelde van de voortgang van een opdracht betekent naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf evenmin dat hiervan sprake is. Het controleren van facturen op juistheid acht de rechtbank onderdeel van een normale bedrijfsvoering. In de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de werkzaamheden van [naam Z.] ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van een gezagsverhouding. Daarbij neemt zij in aanmerking dat [naam Z.] vanuit zijn eigen kantoor werkt en ook andere opdrachtgevers heeft, dat betrokkene het creatieve deel van het werk altijd uitbesteedt zodat het feit dat dit een essentieel onderdeel is van de bedrijfsvoering een minder sterke aanwijzing is voor werkgeversgezag, dat in de branche van betrokkene creatieven vrijwel altijd per opdracht worden ingehuurd en tot slot dat niet elke opdracht door elke art director kan worden verricht, zodat steeds moet worden gezocht naar een goede aansluiting tussen de opdracht en de kennis en kunde van de betreffende art director.

4. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist. Appellant voert daartoe onder meer aan dat het voor betrokkene als commercieel bedrijf met het oog op haar zakelijke belangen van essentieel belang is dat zij controle kan uitoefenen op het naar behoren uitvoeren van de opdrachten. Dat betrokkene de facturen van [naam Z.] controleert om na te gaan of hij zijn uren waarmaakt wijst al op het uitoefenen van controle. Daarnaast droeg betrokkene de eindverantwoordelijkheid voor het werk van [naam Z.] naar de klant toe. Betrokkene heeft verklaard dat [naam Z.] de art direction deed onder supervisie en vanuit een opdracht van betrokkene. Voorts vormden de werkzaamheden van [naam Z.] een wezenlijk onderdeel van bedrijfsvoering van betrokkene. Gelet op het geheel van omstandigheden acht appellant niet aannemelijk dat [naam Z.] de werkzaamheden geheel zonder controle of toezicht verrichtte en dat betrokkene, indien noodzakelijk, niet had kunnen ingrijpen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Tussen appellant en betrokkene is uitsluitend in geschil of [naam Z.] zijn werkzaamheden in de jaren 2002 tot en met 2004 onder gezag van betrokkene heeft verricht.

5.2. De Raad is met appellant en anders dan de rechtbank van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij acht de Raad de volgende, uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden van belang.

5.3. [naam Z.] verricht voor betrokkene werkzaamheden als art director op basis van een globale offerte en facturering achteraf. Het product van betrokkene is het resultaat van de inzet van bij betrokkene in loondienst werkzame accountmanagers (de zogenoemde strategen) en van copywriters en art directors (de zogenoemde creatieven). Betrokkene heeft naar haar klanten toe eindverantwoordelijkheid voor het resultaat en de kwaliteit van het geleverde product. Zij heeft er commercieel belang bij om die verantwoordelijkheid inhoud te geven door onder meer de kwaliteit te waarborgen. Een en ander komt tot uitdrukking in de bij de productontwikkeling gevolgde werkwijze. Bij de meeste producten, met uitzondering van eenvoudig werk, is inzet van een art director vereist. Daarmee vormt het werk van de art director een essentieel onderdeel van de bedrijfsvoering van betrokkene. Op basis van een bespreking van de wensen van de klant maakt betrokkene een strategie en een creatieve briefing. Tijdens de creatieve briefing zijn naast de directeur van betrokkene de art director en de copywriter aanwezig en soms ook de accountmanager. Op de offerte van betrokkene aan de klant staan de uren van [naam Z.] ook vermeld. [naam Z.] bedenkt binnen het aldus aangegeven kader een creatieve oplossing en werkt dit uit in een schets. In deze fase werkt [naam Z.] op zijn eigen kantoor. Het concept wordt eerst ter beoordeling voorgelegd aan betrokkene. Als de schets niet voldoet aan de wensen van de klant wordt de schets afgekeurd. Ook komt het voor dat de art director meer schetsen maakt en dat betrokkene daaruit een keuze maakt. Na goedkeuring wordt de schets ter goedkeuring aan de klant gepresenteerd. De uitwerking van het concept vindt plaats in een studio van een DTP-bureau. Betrokkene controleert of [naam Z.] zijn uren waarmaakt, onder meer door na te gaan hoeveel uren hij in de DTP-studio is en door de gemaakte uren en de prestatie te vergelijken.

5.4. Gelet op de onder 5.2 genoemde feiten en omstandigheden op zich zelf en in onderling verband beschouwd volgt de Raad appellant in zijn opvatting dat betrokkene vanuit zijn verantwoordelijkheid voor (de kwaliteit van) het eindproduct er belang bij had en tevens de mogelijkheid had om aan de - voor dat product onmisbare - werkzaamheden van [naam Z.] inhoudelijke sturing te geven die verder reikte dan het bewaken van de voortgang of de randvoorwaarden en dat [naam Z.] zijn werkzaamheden ten tijde hier van belang onder gezag van betrokkene verrichtte. Dat [naam Z.] in de uitvoering daarvan een vergaande mate van vrijheid had bij het ontwikkelen en uitwerken van creatieve oplossingen leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

5.5. Het onder 5.3 gegeven oordeel brengt mee dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Nu in beroep geen afzonderlijke grieven zijn aangevoerd tegen de correctienota’s en de boetenota’s zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en B.J. van der Net als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

NK