Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
07-5484 AKW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek van appellant om aan hem de helft van de kinderbijslag ten behoeve van zijn drie kinderen uit te betalen.

De Raad stelt vast dat appellant en zijn ex-partner over verzorging en onderhoud van de drie kinderen en over de verdeling van de kinderbijslag een regeling zijn overeengekomen en dat er geen aanwijzingen zijn dat deze regeling niet wordt nagekomen of is gewijzigd. Evenals de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de Svb terecht het verzoek van appellant de helft van de kinderbijslag ten behoeve van zijn drie kinderen aan hem uit te betalen, heeft afgewezen. Van de aan de rechtbank verweten gebrekkige motivering van de uitspraak is de Raad gelet op de uitvoerig gemotiveerde uitspraak van de rechtbank niet gebleken. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte tot matiging van vergoeding van verletkosten is overgegaan, kan de Raad niet volgen. De Raad merkt daartoe op dat noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep enige onderbouwing is gegeven voor het door appellant gevorderde bedrag van € 75,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5484 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 augustus 2007, 06/2409 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft vervolgens een nadere brief ingezonden.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2009. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is gehuwd geweest met [naam ex-partner] (hierna: [naam ex-partner]). Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Appellant en [naam ex-partner] leven sinds april 2003 gescheiden; op 18 augustus 2004 is de echtscheiding uitgesproken. Op het formulier wijziging gezinssamenstelling van 20 juli 2004 hebben zij aangegeven dat sprake is van co-ouderschap en dat de kinderbijslag ten behoeve van de drie kinderen aan [naam ex-partner] moet worden uitbetaald. Ook uit het bijgevoegde echtscheidingsconvenant blijkt dat overeengekomen is dat [naam ex-partner] de kinderbijslag zal ontvangen. De Svb heeft bij brief van 4 augustus 2004 het bericht omtrent het co-ouderschap bevestigd en meegedeeld dat de kinderbijslag voortaan volgens de verdeling die beiden hebben afgesproken, zal worden uitbetaald.

1.2. Appellant heeft de Svb begin 2006 verzocht de helft van de kinderbijslag aan hem uit te betalen. Daarop heeft de Svb in mei 2006 aan [naam ex-partner] gevraagd of zij akkoord gaat met een regeling waarbij appellant en [naam ex-partner] ieder de helft van de kinderbijslag zullen ontvangen. Hierop heeft [naam ex-partner] in een brief van 6 juni 2006 te kennen gegeven met een dergelijke verdeling niet akkoord te gaan.

1.3. Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft de Svb geweigerd de helft van de kinderbijslag aan appellant uit te betalen. De Svb heeft daarbij aangegeven dat het besluit mede is gebaseerd op het echtscheidingsconvenant waarbij is aangegeven dat de kinderbijslag aan [naam ex-partner] dient te worden uitbetaald.

1.4. Bij het bestreden besluit van 13 oktober 2006 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2006 ongegrond verklaard. De Svb is tot de conclusie gekomen dat aan de voorwaarden, zoals deze bij de echtscheiding zijn overeengekomen inzake de verdeling en verzorging van de drie kinderen, wordt voldaan. Indien appellant de voorwaarden wenst te wijzigen, dient hij hierover met zijn ex-echtgenote nieuwe afspraken te maken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd op de grond dat appellant ten onrechte en in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de gelegenheid is gesteld om op zijn bezwaar te worden gehoord. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Het hoger beroep betreft de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en de hoogte van de proceskosten. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd en dat het proces verbaal van de zitting onvolledig is. Appellant is van mening dat het echtscheidingsconvenant niet hetgeen werkelijk is overeengekomen bevat en zonder zijn medeweten is bijgevoegd bij het wijzigingsformulier kinderbijslag. Ten aanzien van de vergoeding van proceskosten heeft de rechtbank niet gemotiveerd hoe zij tot matiging van vergoeding van de kosten is gekomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Svb op goede gronden heeft besloten tot afwijzing van het verzoek van appellant om aan hem de helft van de kinderbijslag ten behoeve van zijn drie kinderen uit te betalen.

4.2. Artikel 5a van het Samenloopbesluit luidt als volgt:

“1. Indien twee personen op basis van een overeenkomst een kind overwegend in gelijke mate verzorgen en onderhouden, zonder met elkaar een gemeenschappelijke huishouding te voeren, wordt, tenzij in de overeenkomst anders is overeengekomen, de kinderbijslag waarop één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijk verdeeld betaald aan deze personen terwijl de kinderbijslag waarop de andere persoon recht heeft, niet wordt uitbetaald.

2. Indien twee of meer personen recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind en niet duidelijk is tot wiens huishouden het kind behoort, wordt, tenzij duidelijk is wat deze personen daarover zijn overeengekomen, de kinderbijslag waarop één van deze personen voor dit kind recht heeft, gelijkelijk verdeeld over de huishoudens waartoe deze personen behoren en uitbetaald aan één persoon per huishouden terwijl de kinderbijslag waarop de andere personen recht hebben, niet wordt uitbetaald.”.

4.3. Bij de echtscheiding zijn appellant en [naam ex-partner] overeengekomen dat [naam ex-partner] de kinderbijslag ontvangt en behoudt voor de drie kinderen. Deze overeenkomst is opgenomen onder 3.3. van het echtscheidingsconvenant. Dit convenant is aan de Svb toegezonden als bijlage bij het formulier wijziging gezinssituatie, overeenkomstig het verzoek hiertoe bij punt 1 op het formulier. Appellant heeft dit formulier mede ondertekend.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant en [naam ex-partner] over verzorging en onderhoud van de drie kinderen en over de verdeling van de kinderbijslag een regeling zijn overeengekomen en dat er geen aanwijzingen zijn dat deze regeling niet wordt nagekomen of is gewijzigd. Evenals de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de Svb terecht het verzoek van appellant de helft van de kinderbijslag ten behoeve van zijn drie kinderen aan hem uit te betalen, heeft afgewezen.

4.5. De Raad kan appellant niet volgen in zijn grieven betreffende de behandeling van zijn zaak door de rechtbank, de inhoud van het proces-verbaal en de (on)partijdigheid van de betrokken rechter en griffier. Op basis van het dossier, het proces-verbaal, de aangevallen uitspraak en hetgeen tegen dat proces-verbaal en tegen die uitspraak door appellant naar voren is gebracht, kan de Raad niet tot de conclusie komen dat de zaak van appellant niet correct is behandeld. In het proces-verbaal is op gangbare wijze weergegeven wat zich ter zitting heeft voltrokken en hoe partijen en andere procesdeelnemers zich daar hebben geuit. Zonder nadere gegevens, die niet zijn gesteld, biedt het door appellant gestelde in hoger beroep geen grond voor het oordeel dat de rechtbank partijdigheid in deze zaak zou moeten worden verweten. Van de aan de rechtbank verweten gebrekkige motivering van de uitspraak is de Raad gelet op de uitvoerig gemotiveerde uitspraak van de rechtbank niet gebleken. Opmerking verdient dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 7 april 1998, AB 1999/32) de rechter niet verplicht is in zijn uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk in te gaan.

4.6. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte tot matiging van vergoeding van verletkosten is overgegaan, kan de Raad niet volgen. De Raad merkt daartoe op dat noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep enige onderbouwing is gegeven voor het door appellant gevorderde bedrag van € 75,--.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.8. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

NK