Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7747

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
08-5267 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief medische zin om appellant te kunnen volgen in de opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad in de eerste plaats dat de grief van appellant dat op de onderhavige herbeoordeling ten onrechte de bepalingen van het op 1 oktober 2004 in werking getreden aangepaste Schattingsbesluit van toepassing zijn verklaard, door de rechtbank in haar bovengenoemde uitspraak van 1 februari 2007 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad – verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 maart 2005 (LJN AT0711) – van de juistheid van dat oordeel moet worden uitgegaan en deze grief thans niet meer ter beoordeling staat. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de voorhanden zijnde rapportages, de aan appellant geduide functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5267 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juli 2008, 07/6973 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2009, waar appellant in persoon is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 juni 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 augustus 2005 ingetrokken. Het tegen dit besluit namens appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard, waarna de rechtbank dat besluit op bezwaar bij uitspraak van 1 februari 2007, 06/3269, heeft vernietigd omdat het daaraan ten grondslag liggende medische onderzoek onzorgvuldig was verricht. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

1.2. Het Uwv heeft het bezwaar bij besluit van 8 augustus 2007 (hierna:het bestreden besluit) wederom ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij - samengevat weergegeven- overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv niet juist is. De onzorgvuldigheid in het eerdere medisch oordeel heeft het Uwv hersteld door een aanvullend psychiatrisch onderzoek in te laten stellen naar de belastbaarheid van appellant; de rechtbank heeft geen aanleiding gezien om meer beperkingen aan te nemen. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de geduide functies op goede gronden heeft gebruikt voor de schatting.

3. In hoger beroep heeft appellant voornamelijk de in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden – met name zijn stelling dat zijn beperkingen vanwege psychiatrische problematiek zijn onderschat – herhaald.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief medische zin om appellant te kunnen volgen in de opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare informatie van de behandelaar van appellant, psychiater J. Bliek, biedt voor die opvatting van appellant onvoldoende steun. De bevindingen van de appellant behandelend psychiater zijn in het aanvullend psychiatrisch onderzoek betrokken. De Raad is niet gebleken dat dit op onzorgvuldige dan wel onjuiste wijze heeft plaatsgevonden.

4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad in de eerste plaats dat de grief van appellant dat op de onderhavige herbeoordeling ten onrechte de bepalingen van het op 1 oktober 2004 in werking getreden aangepaste Schattingsbesluit van toepassing zijn verklaard, door de rechtbank in haar bovengenoemde uitspraak van 1 februari 2007 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad – verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 maart 2005 (LJN AT0711) – van de juistheid van dat oordeel moet worden uitgegaan en deze grief thans niet meer ter beoordeling staat.

4.3. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de voorhanden zijnde rapportages, de aan appellant geduide functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn te achten.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en T. Hoogenboom en

H.C. Cusell als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) R.L. Rijnen.

MH