Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7726

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
08-20 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Daarbij is het dagloon van appellant vastgesteld op € 125,48 en het maandloon op € 2.729,19. Voldoende medische grondslag. De stelling van appellant dat het onbegrijpelijk is dat het Uwv hem in staat heeft geacht te werken, volgt de Raad niet. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in zijn redenering, nu die berust op een zorgvuldig onderzoek en deugdelijk is gemotiveerd. Dat de bezwaarverzekeringsarts in het geheel geen rekening heeft gehouden met zijn klachten, zoals appellant ter zitting van de Raad heeft gesteld, is onjuist, nu in de FML beperkingen zijn aangenomen en appellant alleen in staat wordt geacht fysiek en psychisch licht werk te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/20 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 november 2007, 07/700

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door M. Seijdell. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 10 juli 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 13 februari 2006 recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), te weten op een WGA-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Daarbij is het dagloon van appellant vastgesteld op € 125,48 en het maandloon op € 2.729,19. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 19 februari 2007 (het bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard wat betreft het dagloon en is dat dagloon nader vastgesteld op € 125,70. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard en is het besluit van 10 juli 2006 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het gelet op zijn medische klachten onbegrijpelijk is dat het Uwv hem in staat acht om te werken. Onder verwijzing naar een brief van zijn behandelend cardioloog dr. P.J. Senden van 31 mei 2006 heeft appellant erop gewezen dat uit onderzoek is gebleken dat hij net één trap omhoog kan lopen en dat hij dan volledig uitgeput is. Gelet daarop doet de door het Uwv opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 juni 2006 volgens appellant onvoldoende recht aan zijn medische beperkingen. Verder stelt appellant dat de door het Uwv geselecteerde functies, die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, niet geschikt zijn voor hem. In dat verband meent appellant ook dat hij niet in staat is de voor die functies vereiste opleidingen te volgen.

3.2. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad ziet net als de rechtbank geen reden om te oordelen dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist is. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank daarover.

4.2. De stelling van appellant dat het onbegrijpelijk is dat het Uwv hem in staat heeft geacht te werken, volgt de Raad niet. De bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft in de verschillende rapportages, en met name in de rapportage van 26 januari 2007, uitgelegd waarom appellant niet als volledig arbeidsongeschikt is aangemerkt. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts in aanmerking genomen dat uit de informatie van de behandelend artsen naar voren is gekomen dat er geen cardiologische problemen zijn die de vermoeidheid van appellant verklaren, en dat er door die artsen ook geen slaapstoornis of een aandoening aan de skeletspieren is gevonden. Voor zover er sprake is van een stemmingsstoornis kan deze in de visie van de bezwaarverzekeringsarts geen reden zijn voor forse vermoeidheid en het aannemen van verdergaande beperkingen. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in zijn redenering, nu die berust op een zorgvuldig onderzoek en deugdelijk is gemotiveerd. Die redenering vindt ook steun in de gegevens van de behandelend artsen, te weten in eerdergenoemde brief van Senden en in de brieven van de behandelend neurologen H.M.A. van Gemert van 18 mei 2006 en J.B.S. Boringa van 31 juli 2006. Dat de bezwaarverzekeringsarts in het geheel geen rekening heeft gehouden met zijn klachten, zoals appellant ter zitting van de Raad heeft gesteld, is onjuist, nu in de FML beperkingen zijn aangenomen en appellant alleen in staat wordt geacht fysiek en psychisch licht werk te verrichten.

4.3. Ook de opmerking van Senden in eerdergenoemde brief van 31 mei 2006, te weten dat uit een meting van de inspanningstolerantie is gebleken dat appellant net één trap omhoog kan lopen en dan volledig uitgeput is, kan niet leiden tot de conclusie dat de FML onjuist is. De bezwaarverzekeringsartsen Admiraal en J.L.E. Tjon-A-Sam hebben er in hun rapportages van 30 maart 2007 en 9 april 2009 terecht op gewezen dat de verminderde inspanningstolerantie niet valt te verklaren uit een lichamelijke of psychische aandoening, en dat er in dit verband geen logische samenhang is tussen de ervaren klachten en de objectiveerbare afwijkingen. Er is daarom geen grond om aan te nemen dat in de FML – waarin is aangegeven dat appellant in één keer een trap op en af kan – een verdergaande beperking had moeten worden aangenomen.

4.4. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige T.R Stroband van 8 februari 2007 is toegelicht waarom de functies geschikt zijn voor appellant. Die gemotiveerde toelichting voldoet aan de eisen gesteld in de rechtspraak van de Raad. Uitgaande van die functies is de mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv terecht vastgesteld op 35 tot 80%. De stelling van appellant dat de functies ongeschikt zijn, omdat hij niet in staat is de daarvoor vereiste opleidingen te volgen, treft geen doel. Zoals appellant ter zitting van de Raad heeft toegelicht, ziet deze stelling erop dat appellant meent dat hij vanwege zijn psychische beperkingen geen opleiding kan volgen. Voor appellant zijn echter in dit verband geen relevante beperkingen neergelegd in de FML, zodat ervan moet worden uitgegaan dat appellant in medisch opzicht in staat is de betreffende opleidingen te volgen.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd.

6. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en

P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG