Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
07-4912 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een WIA-uitkering. De Raad overweegt allereerst dat hij, gelijk hij eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 27 februari 2009, LJN BH4581, geen beletsel aanwezig acht om bij de beoordeling van een aanvraag om een Wet WIA-uitkering te betrekken of wellicht zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 43a van de WAO in welk geval de verzekerde aanspraak maakt op heropening van de aan hem eerder toegekende WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat het Uwv de aan hem gestelde vraag met de reactie van de bezwaarverzekeringsarts Jonker niet toereikend heeft beantwoord. De omstandigheid dat appellant een Wet WIA-uitkering heeft aangevraagd en geen WAO-uitkering, waaraan het Uwv in navolging van de bezwaarverzekeringsarts Jonker kennelijk betekenis toedicht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. het Uwv heeft ten onrechte een WAO-beoordeling ex artikel 43a van de WAO bij appellant achterwege gelaten. Zonder beantwoording van de vraag of aanspraak bestaat op een WAO-uitkering uit dien hoofde kan niet worden toegekomen aan een beoordeling op grond van de Wet WIA. Afwijzing verzoek om vergoeding wettelijke rente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4912 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 juli 2007, 07/325

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft bij brief van 17 november 2008, onder verwijzing naar een rapport van 14 november 2008 van de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker, enige door de Raad gestelde vragen beantwoord.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op

24 april 2009, waar partijen, appellant met kennisgeving, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die werkzaam is geweest als vrachtwagenchauffeur, heeft wegens hartklachten zijn werkzaamheden op 4 mei 1996 gestaakt. Nadien is appellant vanwege nierproblemen geopereerd en ontwikkelden zich bij hem pijnklachten in de benen bij trappenlopen en heuvels op wandelen. Bij het einde van de wettelijke wachttijd is aan appellant per 5 mei 1997 aanvankelijk een arbeidsongeschiktheidsuitkering geweigerd, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Vanwege forse benauwdheidklachten en na hernieuwd onderzoek door de behandelende cardioloog is aan appellant alsnog per 5 mei 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 17 april 2000 (waartegen niet tijdig bezwaar is gemaakt) is de WAO-uitkering met ingang van 17 december 2000 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft appellant zich vervolgens op 30 juli 2001 ziek gemeld. Bij besluit van 9 oktober 2001 is hem op en na 8 oktober 2001 verdere uitkering ingevolge de Ziektewet ontzegd. Ook tegen dit besluit is door appellant niet tijdig bezwaar gemaakt.

1.2. Op 28 juni 2004 heeft appellant zich vanwege een toename van zijn medische klachten opnieuw ziek gemeld. Bij zijn rapport van 30 juli 2004, genoemd plan van aanpak, heeft de verzekeringsarts R. de Jong overwogen of sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid waarvoor (op grond van artikel 43a van de WAO) een verkorte wachttijd van vier weken geldt. Bij vervolgrapporten van 30 juli 2004 en 7 november 2005 heeft de verzekeringsarts zich op het standpunt gesteld dat appellant nog onvoldoende belastbaar was voor arbeid. Op 6 juni 2006 heeft appellant op een door het Uwv aan hem verstrekt formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op grond van het daarop gevolgde verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 1 september 2006 deze aanvraag afgewezen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant na afloop van de wettelijke wachttijd van twee jaar met ingang van 26 juni 2006 minder dan 35% bedroeg. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar, dat is beoordeeld door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige, heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van 1 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate rekening heeft gehouden met de te objectiveren klachten van appellant. Ten aanzien van de ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsschatting geselecteerde functies heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn medische beperkingen van dien aard zijn dat hij niet in staat kan worden geacht die functies te vervullen. Daarop is het bestreden besluit, door ongegrondverklaring door de rechtbank van het daartegen gerichte beroep, in stand gelaten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant onder overlegging van hem betreffende medische gegevens, kort samengevat, opnieuw aangevoerd dat zijn medische klachten ernstiger zijn dan waarvan het Uwv en de rechtbank zijn uitgegaan. De bezwaarverzekeringsarts

J. Jonker heeft deze medische gegevens beoordeeld en bij rapporten van 25 oktober 2007 en 6 december 2007 vermeld dat deze geen aanleiding geven om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

3.2. De Raad heeft bij brief van 6 november 2008 aan het Uwv een aantal in het kader van het vooronderzoek gerezen vragen voorgelegd. Enerzijds is verzocht toe te lichten waarom gelet op het hiervoor onder 1.2 overwogene geen aanleiding is gezien om na de ziekmelding van appellant op 28 juni 2004 met toegenomen klachten, toepassing te geven aan artikel 43a van de WAO en anderzijds is verduidelijking verzocht van de medische oordeelsvorming.

3.3. Het Uwv heeft bij brief van 17 november 2008 een reactie van de bezwaarverzekeringsarts Jonker ingezonden, naar de inhoud waarvan het Uwv kortheidshalve heeft verwezen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad overweegt allereerst dat hij, gelijk hij eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 27 februari 2009, LJN BH4581, geen beletsel aanwezig acht om bij de beoordeling van een aanvraag om een Wet WIA-uitkering te betrekken of wellicht zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 43a van de WAO in welk geval de verzekerde aanspraak maakt op heropening van de aan hem eerder toegekende WAO-uitkering.

4.2. De vraag met betrekking tot het niet toepassen van artikel 43a van de WAO heeft de bezwaarverzekeringsarts Jonker als volgt beantwoord waarbij appellant als belanghebbende of mijnheer is aangeduid:

“…belanghebbende is vanaf het hartinfarct in 1996 van mening geweest niet meer te kunnen werken. Hij poneerde en poneert een scala van klachten, waarbij geen lichamelijke of psychische pathologie van betekenis werd gevonden. Er is althans geen duidelijke relatie tussen de ernst van de gevonden afwijkingen en de ernst van de klachten. Hoewel het voor de diverse verzekeringsartsen van het Uwv al snel duidelijk was dat belanghebbende goed belastbaar was, heeft hij, mede door zijn hoge medische consumptie met het raadplegen van vele medische specialisten, ruim de gelegenheid gekregen om met behoud van uitkering zijn klachten uitgebreid te laten onderzoeken. Aangezien er nooit een duidelijke diagnose werd gesteld, is het moeilijk om te spreken over een “bepaalde oorzaak van de arbeidsongeschiktheid”. Ik kan alleen constateren dat mijnheer zich bij herhaling ziek meldt met één en hetzelfde klachtenpatroon.

Belanghebbende heeft allang geen WAO-uitkering meer en heeft nadien nooit meer een WAO-uitkering aangevraagd. Het Uwv kan hem deze niet zonder aanvraag toekennen. Afgezien daarvan vraag ik me af of een WAO-uitkering zin zou hebben. Immers volgens de arbeidsdeskundige heeft belanghebbende geen loonverlies, dus voor de WAO zou hij minder dan 15% arbeidsongeschikt zijn.”

4.3. De Raad is van oordeel dat het Uwv de aan hem gestelde vraag met de reactie van de bezwaarverzekeringsarts Jonker niet toereikend heeft beantwoord. Uit deze reactie wordt wel duidelijk dat naar haar opvatting sprake is van eenzelfde klachtenpatroon, maar niet duidelijk wordt waarom na de melding op 28 juni 2004 van appellant met toegenomen klachten geen beoordeling heeft plaatsgevonden door de verzekeringsarts of sprake was van toegenomen medische beperkingen, zulks mede gelet op de omstandigheid dat de verzekeringsarts De Jong de mogelijkheid daarvan kennelijk (zie overweging 1.2) wel heeft overwogen. Dat onderzoek is van belang omdat, als sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak (-oorzaken), arbeidskundig onderzoek dient plaats te vinden, gericht op de vraag of er verlies aan verdiencapaciteit is in die mate dat dit leidt tot arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Wordt die vraag bevestigend beantwoord dan had appellant ingevolge artikel 43a van de WAO na vervulling van een wachttijd van vier weken voor uitkering ingevolge de WAO in aanmerking kunnen worden gebracht. Beantwoording van deze vraag had vooraf behoren te gaan aan de vraag of appellant in aanmerking kan worden gebracht voor een Wet WIA-uitkering. Immers had appellant opnieuw een WAO-uitkering toegekend gekregen dan hadden zijn aanspraken op voortzetting van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO moeten worden beoordeeld en was het Uwv aan een beoordeling op grond van de Wet WIA niet (onmiddellijk) toegekomen.

4.4. Hierbij heeft appellant ook om een aantal redenen belang. Bij een beoordeling of appellant vier weken na 28 juni 2004 in aanmerking komt voor een WAO-uitkering had toepassing behoren te worden gegeven aan het Schattingsbesluit zoals dit gold vóór

1 oktober 2004, had bezien moeten worden of voor de arbeidsongeschiktheidsschatting ook uitgegaan had moeten worden van de in het kader van de huidige beoordeling gehanteerde maatman van de op het minimumloon aangewezen langdurig werkloze werknemer, was, anders dan bij de huidige beoordeling, een mate van arbeidsongeschiktheid van 15% of meer voldoende geweest voor toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en was deze uitkering alsdan ook na vier weken al ingegaan.

4.5. De omstandigheid dat appellant een Wet WIA-uitkering heeft aangevraagd en geen WAO-uitkering, waaraan het Uwv in navolging van de bezwaarverzekeringsarts Jonker kennelijk betekenis toedicht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Appellant heeft melding gemaakt van toegenomen klachten en dat gegeven had voor het Uwv voldoende reden moeten zijn om na te gaan of sprake was van ingetreden arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO. Naast hetgeen de Raad hiervoor onder 4.3 heeft overwogen wijst de Raad erop dat de beoordeling in het kader van de WAO ook een veel eerder gelegen datum betreft dan de beoordeling ingevolge de Wet WIA. Van een uitvoeringsorgaan dat belast is met de uitvoering van verschillende arbeidsongeschiktheidswetten mag verwacht worden dat hij zelfstandig nagaat onder de vigeur van welke wet een arbeidsongeschiktheidsmelding moet worden beoordeeld en dan ook de daarop toegesneden aanvraagformulieren aan de betrokkene toezendt. Niet gebleken is dat het Uwv aanvraagformulieren voor een WAO-uitkering heeft toegezonden. Aan het niet insturen van die aanvraagformulieren en het wel insturen van aanvraagformulieren ten behoeve van een uitkering ingevolge de Wet WIA komt in dit geval dus geen (beslissende) betekenis toe. Hieraan kan zeker niet ontleend worden dat appellant welbewust heeft afgezien van het doen van een aanvraag van een WAO-uitkering.

5. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het Uwv ten onrechte een WAO-beoordeling ex artikel 43a van de WAO bij appellant achterwege heeft gelaten. Zonder beantwoording van de vraag of aanspraak bestaat op een WAO-uitkering uit dien hoofde kan niet worden toegekomen aan een beoordeling op grond van de Wet WIA. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten komt met dat besluit voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen. Daarbij zal, zoals hiervoor uiteengezet, eerst nagegaan moeten worden of appellant ter zake van zijn melding op 28 juni 2004 van toegenomen arbeidsongeschiktheid aanspraak kan maken op een WAO-uitkering. In het geval het Uwv deze vraag ontkennnend beantwoordt, komt pas de vraag in bezwaar aan de orde of een Wet WIA-uitkering terecht is geweigerd. Het Uwv zal alsdan tevens acht dienen te slaan op hetgeen de Raad hierna onder 6 overweegt.

6. De Raad overweegt met betrekking tot de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de Wet WIA dat deze berust op drie SBC-codes. Bij de Raad is ernstige twijfel gerezen of de zich daaronder bevindende functie van operator voedingsmiddelenindustrie waarbij balen koffiebonen van 65 kg moeten worden verplaatst voor appellant geschikt is te achten. De door de arbeidskundige in zijn notitie functiebelasting gegeven motivering van de geschiktheid overtuigt de Raad niet. De enkele omstandigheid dat deze balen van jute verplaatst worden over een gladde vloer, zoals de arbeidsdeskundige aangeeft, laat onverlet dat deze balen, blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende functieomschrijving, van een houten pallet met tien balen getrokken moeten worden waarbij derhalve ook wrijving van jute op jute, dan wel van jute op hout plaatsvindt.

7. Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen in de schade die appellant lijdt. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door het bestreden besluit geleden renteschade. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. Indien het Uwv mocht besluiten af te zien van een nieuw besluit op bezwaar, zal het Uwv ter zake een zelfstandig (schade)besluit dienen te nemen.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR