Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
07-5043 WWB + 07-5044 WWb + 07-5045 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Opgeschorting recht op bijstand. De Raad komt tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB is voldaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van 17 maart 2006 gebruik heeft kunnen maken. De Raad stelt verder vast dat bij besluit 1 de ingangsdatum van de opschorting is gewijzigd van 13 maart 2006 in 17 maart 2006. Met appellant en anders dan het College is de Raad van oordeel dat daarmee het besluit van 17 maart 2006 is herroepen voor zover het de ingangsdatum van de opschorting van het recht op bijstand betreft. Dat betekent dat het College bij besluit 1 het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat van een herroeping van het besluit van 17 maart 2006 geen sprake is. 2) Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Niet is gebleken dat het opschortingsbesluit aan appellant is uitgereikt dan wel aangetekend of met bericht van ontvangst aan hem is verzonden. Niet is boven elke twijfel verheven dat het College appellant van het opschortingsbesluit van 17 maart 2006 vóór het verstrijken van de daarin gestelde hersteltermijn in kennis heeft gesteld. Deze onzekerheid mag naar het oordeel van de Raad niet ten nadele van appellant uitwerken in die zin dat hem wordt tegengeworpen dat hij de in het opschortingsbesluit gestelde hersteltermijn verwijtbaar ongebruikt heeft laten verstrijken. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat appellant er niet van op de hoogte was dat hij was opgeroepen voor een gesprek op 21 maart 2006. Gelet hierop was het College niet bevoegd de bijstand onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 17 maart 2006 in te trekken. 3 ) Toekenning bijstand. Aan het besluit van 4 mei 2006, voor zover hier in geding, ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de bijstand was ingetrokken en dat opnieuw bijstand moest worden aangevraagd. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen moet dit uitgangspunt - achteraf bezien - voor onjuist worden gehouden. Dat betekent dat ook besluit 3 een deugdelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak ook voor zover deze betrekking heeft op besluit 3 vernietigd dient te worden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen besluit 3 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 4 mei 2006 te herroepen voor zover daarbij bijstand is geweigerd over de periode vóór 31 maart 2006. Nu deze herroeping plaatsvindt wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid, zal de Raad aan appellant een vergoeding toekennen voor de in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2006 gemaakte kosten van rechtsbijstand.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 160
ABkort 2009/259
USZ 2009/224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5043 WWB

07/5044 WWB

07/5045 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 juli 2007, 06/1252, 06/1253 en 06/1254 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 21 april 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving laatstelijk sedert 25 augustus 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van een onderzoek naar zijn uitkeringssituatie is appellant bij brief van 13 maart 2006 opgeroepen voor een gesprek op 17 maart 2006.

1.3. Bij besluit van 17 maart 2006 heeft het College met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand met ingang van 13 maart 2006 opgeschort op de grond dat appellant niet heeft gereageerd op de oproep voor het gesprek op 17 maart 2006. Appellant is bij dat besluit in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen en is in verband daarmee opgeroepen voor een gesprek op 21 maart 2006. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 27 maart 2006 heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 25 augustus 2005 ingetrokken en met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de aan appellant over de periode van 25 augustus 2005 tot en met 28 februari 2006 verleende bijstand tot een bedrag van € 5.715,74 van hem teruggevorderd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt over zijn woonsituatie. Appellant heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.5. Op 31 maart 2006 heeft appellant zich gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) om bijstand aan te vragen. Op 11 april 2006 heeft hij een aanvraag ingediend om bijstand met ingang van de datum waarop hij zich bij het CWI heeft gemeld. Bij besluit van 4 mei 2006 heeft het College aan appellant met ingang van 31 maart 2006 bijstand toegekend. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor zover het de ingangsdatum van de bijstand betreft. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat met ingang van 1 maart 2006 bijstand dient te worden toegekend.

1.6. Bij besluit van 26 juli 2006 (hierna: besluit 1) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2006 ongegrond verklaard met dien verstande dat het recht op bijstand met ingang van 17 maart 2006 wordt opgeschort. Bij dat besluit heeft het College tevens het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand afgewezen op de grond dat van een herroeping van het besluit van 17 maart 2006 geen sprake is.

1.7. Bij besluit van eveneens 26 juli 2006 (hierna: besluit 2) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit herroepen en met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 17 maart 2006 ingetrokken op de grond dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan de bij het besluit van 17 maart 2006 gedane oproep voor een gesprek op 21 maart 2006. Bij besluit 2 heeft het College voorts een vergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand en bepaald dat de wettelijke rente over de na te betalen bruto uitkering over de periode van 1 maart 2006 tot en met 16 maart 2006 aan appellant wordt vergoed.

1.8. Bij een derde besluit van 26 juli 2006 (hierna: besluit 3) heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2006 ongegrond verklaard en het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft hij verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding (wettelijke rente).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot besluit 1 overweegt de Raad als volgt.

4.1.1. Besluit 1 berust op toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Die bepaling geeft het College de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent.

4.1.2. Het College heeft appellant bij brief van (maandag) 13 maart 2006 opgeroepen voor een gesprek op (vrijdag) 17 maart 2006. Vaststaat dat appellant niet op deze oproep heeft gereageerd. Blijkens de gedingstukken heeft appellant eerst op 23 maart 2006 telefonisch contact opgenomen met het Noordelijk Platform Fraudebestrijding (hierna: NPF) met de mededeling dat hij de brief van 13 maart 2006 nog maar net had gezien en dat hij niet of nauwelijks thuis is omdat het leidingwater in zijn woning is afgesloten en dat hij zijn post niet altijd direct opent. Dat leidt de Raad niet tot het oordeel dat appellant van zijn verzuim geen verwijt kan worden gemaakt. Niet is gebleken dat appellant het College heeft geïnformeerd over het adres waar hij wel was te bereiken of dat hij maatregelen heeft getroffen om gedurende zijn afwezigheid tijdig op de hoogte te geraken van aan zijn adres aangeboden post. Ook de omstandigheid dat appellant zijn post niet altijd direct opent dient voor zijn rekening en risico te komen.

4.1.3. Het vorenstaande leidt de Raad met de rechtbank tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB is voldaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van 17 maart 2006 gebruik heeft kunnen maken.

4.1.4. De Raad stelt verder vast dat bij besluit 1 de ingangsdatum van de opschorting is gewijzigd van 13 maart 2006 in 17 maart 2006. Met appellant en anders dan het College is de Raad van oordeel dat daarmee het besluit van 17 maart 2006 is herroepen voor zover het de ingangsdatum van de opschorting van het recht op bijstand betreft. Dat betekent dat het College bij besluit 1 het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat van een herroeping van het besluit van 17 maart 2006 geen sprake is.

4.1.5. De rechtbank heeft hetgeen onder 4.1.4 is overwogen niet onderkend. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover deze betrekking heeft op besluit 1. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover daarbij het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand is afgewezen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad aan appellant een vergoeding toekennen voor de in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2006 gemaakte kosten van rechtsbijstand. De Raad overweegt daartoe dat bij besluit 1 het besluit van 17 maart 2006 wat betreft de ingangsdatum van de opschorting is herroepen wegens een aan het College te wijten onrechtmatigheid. Deze kosten worden begroot op

€ 322,--. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de kosten van rechtsbijstand voor het bijwonen van de hoorzitting van 11 juli 2006 reeds bij besluit 2 zijn vergoed.

4.2. Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad als volgt.

4.2.1. Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van bijstand staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.2.2. Het College heeft aan de intrekking van de bijstand ten grondslag gelegd dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan de bij het opschortingsbesluit van 17 maart 2006 gedane oproep voor een gesprek op 21 maart 2006. Aangezien de intrekking van de bijstand een voor appellant belastend besluit betreft, is het aan het College aannemelijk te maken dat appellant tijdig van het opschortingsbesluit in kennis is gesteld.

4.2.3. De Raad stelt, gelet op de gedingstukken, vast dat niet is gebleken dat het opschortingsbesluit aan appellant is uitgereikt dan wel aangetekend of met bericht van ontvangst aan hem is verzonden. Het College heeft evenmin verzending van dat besluit aan het juiste adres langs andere weg aangetoond. Het College heeft weliswaar gesteld dat het besluit van 17 maart 2006 door twee medewerkers van het NPF in de brievenbus van appellant is gedeponeerd, maar deze stelling heeft het College niet onderbouwd. Zo de betreffende medewerkers het besluit van 17 maart 2006 al in de brievenbus van appellant hebben gedeponeerd, is onduidelijk wanneer zij dat hebben gedaan.

4.2.4. Appellant heeft gesteld dat hij het opschortingsbesluit eerst na het verstrijken van de daarin gestelde hersteltermijn heeft ontvangen en heeft een eerdere ontvangst van dat besluit ontkend. Naar het oordeel van de Raad kan die ontkenning van de eerdere ontvangst niet als ongeloofwaardig worden bestempeld aangezien uit de beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid dat appellant het besluit wel eerder moet hebben ontvangen. Zo is niet gebleken dat door appellant naar aanleiding van het opschortingsbesluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat dat besluit al eerder aan het adres van appellant is aangeboden. Weliswaar heeft appellant blijkens de gedingstukken op 23 maart 2006 telefonisch contact opgenomen met het NPF met een mededeling dat hij een brief van de sociale dienst had ontvangen met een oproep om te verschijnen, maar hij deelde toen desgevraagd mee dat die brief op 13 maart 2006 was gedateerd en dat hij geen tweede brief had ontvangen.

4.2.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.2 en 4.2.4 is overwogen is niet boven elke twijfel verheven dat het College appellant van het opschortingsbesluit van 17 maart 2006 vóór het verstrijken van de daarin gestelde hersteltermijn in kennis heeft gesteld. Deze onzekerheid mag naar het oordeel van de Raad niet ten nadele van appellant uitwerken in die zin dat hem wordt tegengeworpen dat hij de in het opschortingsbesluit gestelde hersteltermijn verwijtbaar ongebruikt heeft laten verstrijken. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat appellant er niet van op de hoogte was dat hij was opgeroepen voor een gesprek op 21 maart 2006. Gelet hierop was het College niet bevoegd de bijstand onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 17 maart 2006 in te trekken.

4.2.6. Aangezien de rechtbank een en ander niet heeft onderkend, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen ook voor zover deze betrekking heeft op besluit 2. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen behoudens voor zover daarbij het besluit van 27 maart 2006 is herroepen, een vergoeding is toegekend voor de kosten van rechtsbijstand en is bepaald dat de wettelijke rente over de na te betalen bruto uitkering over de periode van 1 maart 2006 tot en met 16 maart 2006 aan appellant wordt vergoed.

4.3. Met betrekking tot het besluit 3 overweegt de Raad als volgt.

4.3.1. Aan het besluit van 4 mei 2006, voor zover hier in geding, ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de bijstand was ingetrokken en dat opnieuw bijstand moest worden aangevraagd. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen moet dit uitgangspunt - achteraf bezien - voor onjuist worden gehouden. Dat betekent dat ook besluit 3 een deugdelijke grondslag ontbeert.

4.3.2. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak ook voor zover deze betrekking heeft op besluit 3 vernietigd dient te worden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen besluit 3 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 4 mei 2006 te herroepen voor zover daarbij bijstand is geweigerd over de periode vóór 31 maart 2006. Nu deze herroeping plaatsvindt wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid, zal de Raad aan appellant een vergoeding toekennen voor de in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2006 gemaakte kosten van rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 322,--. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat kosten van rechtsbijstand voor het bijwonen van de hoorzitting van 11 juli 2006 reeds bij besluit 2 zijn vergoed.

5. Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt vast dat de onrechtmatig gebleken besluiten 2 en 3 niet tot gevolg hebben gehad dat appellant schade heeft geleden die verband houdt met de vertraagde uitbetaling van de bijstand over de periode van 17 maart 2006 tot 31 maart 2006. Het College heeft immers, zoals hiervoor onder 4.1.3 is overwogen, bij besluit 1 het recht op bijstand terecht met ingang van 17 maart 2006 opgeschort.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt besluit 1 voor zover daarbij het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand is afgewezen;

Vernietigt besluit 2 behoudens voor zover daarbij het besluit van 27 maart 2006 is herroepen, een vergoeding is toegekend voor de kosten van rechtsbijstand en is bepaald dat de wettelijke rente over de na te betalen bruto uitkering over de periode van 1 maart 2006 tot en met 16 maart 2006 aan appellant wordt vergoed;

Vernietigt besluit 3;

Herroept het besluit van 4 mei 2006 voor zover daarbij bijstand is geweigerd over de periode vóór 31 maart 2006;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.254,--, te betalen door de gemeente Groningen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2009.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) M. Pijper.

IJ