Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7439

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2009
Datum publicatie
15-06-2009
Zaaknummer
07-5088 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat voor zover door het tijdsverloop de medische situatie van appellant per einde wachttijd niet meer volledig in kaart kan worden gebracht, dit - in de gegeven omstandigheden - voor risico van appellant blijft. De Raad stelt vast dat appellant en zijn echtgenote met enige regelmaat - in ieder geval vanaf april 1993 - door middel van brieven aandacht hebben gevraagd voor de uitkeringssituatie van appellant en ook medische verklaringen hebben overgelegd. Vaststaat voorts dat namens appellant in maart 1995 is geïnformeerd naar de stand van zaken betreffende de Ziektewet/WAO uitkering. De Raad is met appellant van oordeel dat de beschikbare medische gegevens weliswaar beperkt zijn, maar dat niet is gebleken dat deze ontoereikend zijn om een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op te doen steunen. De Raad is met appellant van oordeel dat de beschikbare gegevens geen steun bieden voor de conclusie van de verzekeringsarts dat in het geheel geen sprake is van beperkingen als gevolg van ziekte en gebrek. Geen aanwijzingen voor de conclusie dat arbeidsdeskundig onderzoek achterwege kan blijven. De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit aldus onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en dat het wegens schending van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. De vordering tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv slaagt dan ook niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5088 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2007, 04/5306 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2009. Voor appellant is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.

2. Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant, geboren [in] 1950, is hier te lande als produktiemedewerker werkzaam geweest. Ten gevolge van een ongeval op zijn werk heeft hij op 9 september 1991 zijn werkzaamheden gestaakt. Aan appellant is ziekengeld ingevolge de Ziektewet toegekend. Vervolgens is appellant, met toestemming van het Uwv, naar Marokko vertrokken. Appellant is opgeroepen om op 16 december 1991 te verschijnen op het spreekuur voor een medische controle, doch is niet verschenen. Hierop is aan hem bij brief van 23 december 1991 meegedeeld dat met ingang van 16 december 1991 de ziekengelduitkering zal worden stopgezet. Appellant is daarbij gewezen op de mogelijkheid een voor beroep vatbaar besluit aan te vragen. Van deze mogelijkheid heeft appellant geen gebruik gemaakt.

2.2. Namens appellant heeft [gemachtigde van appellant] bij brief van 26 mei 1995 een verzoek om herziening van de beslissing van 23 december 1991 ingediend. Dit verzoek is bij besluit van 15 september 1995 afgewezen. Bij uitspraak van 28 november 1996 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 15 september 1995 gegrond verklaard, het besluit van 15 september 1995 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen. Met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank is aan appellant bij besluit van 13 juni 1997, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 september 1997, alsnog een ziekengelduitkering toegekend tot 23 februari 1992 en voor het overige geweigerd. Het tegen dit besluit ingediende beroep en hoger beroep zijn ongegrond verklaard. De Raad heeft in zijn uitspraak van 10 juli 2001 (99/4746), ten overvloede, overwogen dat het oordeel van de Raad uitsluitend betrekking heeft op de aanspraken van appellant op ziekengeld. Voor zover appellant aandacht heeft gevraagd voor zijn aanspraken ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft de Raad opgemerkt dat het bestreden besluit daarover niet handelt.

2.3. Vervolgens is namens appellant op 1 februari 2002 een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In de bijbehorende brief heeft de gemachtigde van appellant aangegeven dat reeds op 22 juli 1992 een aanvraag voor een WAO-uitkering is ingediend, maar dat deze destijds buiten behandeling is gesteld.

2.4. Vervolgens heeft het Uwv de arts F. Lamouri, verbonden aan de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) te Marokko, om advies gevraagd. Lamouri heeft zijn advies van 18 september 2003 mede gebaseerd op rapporten van de psychiater dr. F. Merini en van de neuroloog dr. Zemrag Saoudi. De voor appellant geldende arbeidsbeperkingen zijn door hem weergegeven op een zogeheten MN 214-formulier.

2.5. De verzekeringsarts Bouwman heeft in zijn rapportage van 8 januari 2004 - op basis van de onder 2.4 genoemde gegevens - geconcludeerd dat er bij appellant sprake is van enige atypische gedragsproblemen, maar niet van een ziekte of gebrek van betekenis. Bouwman is van oordeel dat appellant thans en in het verleden in staat was om allerhande werkzaamheden volledig uit te voeren en hij heeft geen aanleiding gezien tot het opstellen van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ten slotte is Bouwman tot de conclusie gekomen dat een arbeidsdeskundig onderzoek achterwege kan blijven.

2.6. Bij besluit van 9 februari 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat uit medisch onderzoek niet is gebleken dat appellant ten tijde van zijn actieve verzekering voor de AAW/WAO arbeidsongeschikt is geworden en dat geen sprake is van een aaneengesloten periode van arbeidsongeschiktheid van 52 weken.

2.7. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij na terugkomst in Marokko erg ziek is geworden en zich bij CNSS heeft gemeld. Hij is van mening dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest nu dit slechts 15 minuten heeft geduurd en er geen lichamelijk onderzoek is verricht. Voor het bewijs dat hij 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest verwijst hij naar de medische verklaringen die in de betreffende periode door het CNSS naar het Uwv zijn verzonden.

2.8. De bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever heeft in zijn rapportage van 26 augustus 2004 aangegeven dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de primair oordelende verzekeringsarts het oordeel met betrekking tot de arbeidsbeperkingen onvoldoende heeft onderbouwd. Er zijn geen nieuwe medische feiten naar voren gekomen die het primaire oordeel met betrekking tot de arbeidsbeperkingen doen wijzigen.

2.9. Bij het bestreden besluit van 15 september 2004 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv zijn besluit van 9 februari 2004 gehandhaafd. Bij besluit van 24 oktober 2005 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv het besluit 1 ingetrokken en zich nader op het standpunt gesteld dat, nu van een hersteldmelding niet is gebleken, appellant in september 1992 het einde van de wachttijd ex artikel 19 van de WAO heeft bereikt. Daarbij is aangegeven dat op basis van de door appellant overgelegde verklaringen van KNO-arts dr. Bouchtib geen medisch verantwoord oordeel kan worden gegeven over de belastbaarheid van appellant in 1992. De door dr. Bouchtib beschreven klachten zijn niet medisch geobjectiveerd en houden geen verband met de aanleiding voor de ziekmelding, te weten een laesie van het topje van een vinger.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat de omstandigheid dat het wegens tijdsverloop en/of het ontbreken van stukken niet meer mogelijk is aan de hand van medische gegevens aannemelijk te maken dat in september 1992 sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, voor rekening en risico van appellant dient te komen.

4. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat ten onrechte is overwogen dat thans sprake is van een verlate aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Appellant dan wel zijn echtgenote hebben vanaf 1992 op diverse momenten geïnformeerd naar een arbeidsongeschiktheidsuitkering en het is niet aan appellant te wijten dat eerst in 2003 onderzoek heeft plaatsgevonden. Tevens is erop gewezen dat het Uwv destijds volgens het vigerende recht het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve had dienen vast te stellen. Appellant heeft fysiek en psychisch letsel opgelopen en uit het dossier blijkt dat hij daarvoor destijds ook is verwezen naar het Riagg. Ten slotte is namens appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden uitsluitend in de bestuurlijke fase.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. In deze procedure gaat het om de beantwoording van de vraag of de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, waarbij met ingang van september 1992 is geweigerd een uitkering ingevolge de WAO aan appellant toe te kennen, terecht ongegrond heeft verklaard.

5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat voor zover door het tijdsverloop de medische situatie van appellant per einde wachttijd niet meer volledig in kaart kan worden gebracht, dit - in de gegeven omstandigheden - voor risico van appellant blijft. De Raad stelt vast dat appellant en zijn echtgenote met enige regelmaat - in ieder geval vanaf april 1993 - door middel van brieven aandacht hebben gevraagd voor de uitkeringssituatie van appellant en ook medische verklaringen hebben overgelegd. Vaststaat voorts dat namens appellant in maart 1995 is geïnformeerd naar de stand van zaken betreffende de Ziektewet/WAO uitkering.

5.3. Daarbij is de Raad met appellant van oordeel dat de beschikbare medische gegevens weliswaar beperkt zijn, maar dat niet is gebleken dat deze ontoereikend zijn om een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op te doen steunen. De Raad is met appellant van oordeel dat de beschikbare gegevens geen steun bieden voor de conclusie van de verzekeringsarts dat in het geheel geen sprake is van beperkingen als gevolg van ziekte en gebrek. Bij de medische beoordeling in het kader van de Ziektewet zijn al klachten van psychische aard vastgesteld getuige het rapport van de verzekeringsarts Nelemans van

13 juli 1995. Uit dit rapport kan ook worden opgemaakt dat in 1991 al een verwijzing naar het Riagg heeft plaatsgevonden. Lamouri heeft in september 2003 met het MN 213-formulier gerapporteerd dat sprake is van een angstdepressie en op basis daarvan beperkingen aangegeven ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant. Aan de hand van de aanwezige gegevens omtrent de gezondheidssituatie van appellant had het Uwv een FML moeten opstellen, dan wel de relativering van de bevindingen van Lamouri nader moeten motiveren. Uit het voorgaande volgt tevens dat de Raad geen aanwijzingen ziet voor de conclusie dat arbeidsdeskundig onderzoek achterwege kan blijven.

5.4. De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit aldus onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en dat het wegens schending van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.

5.5. Gezien het vorenstaande zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaren.

5.6. Voor de wijze van beoordeling van de vordering tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009).

5.7. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 16 maart 2004 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn 5 jaren en ruim 2 maanden verstreken. De Raad stelt echter vast dat geen sprake is van een te lange behandelingsduur bij het Uwv, nu tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 16 maart 2004 en toezending van besluit 1 van 15 september 2004 niet meer dan een half jaar is verlopen. De vordering tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv slaagt dan ook niet.

5.8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard en een veroordeling inzake de proceskosten is uitgesproken;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

NK