Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2009
Datum publicatie
11-06-2009
Zaaknummer
07-4191 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid voor eigen (uitzend) werk als magazijnbediende in een kledingbedrijf. Geen reden te twijfelen aan de juistheid van de FML. De door het Uwv geraadpleegde deskundige heeft zijn conclusies in zijn rapport inzichtelijk en binnen zijn deskundigheid onderbouwd. De door appellant ingebrachte informatie van de behandelend sector leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4191 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 juni 2007, 06/6734

(hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant liet hoger beroep instellen en het Uwv voerde verweer.

Het onderzoek ter zitting begon op 21 november 2008. Namens appellant verscheen

mr. J.M. Stevers, advocaat te Leiden. Namens het Uwv verscheen C. van Nood. De Raad heropende het onderzoek en op zijn verzoek beantwoordde het Uwv bij brief van

10 februari 2009 met bijlagen een vraag. De vervolgzitting vond plaats op 24 april 2009. Appellant liet zich opnieuw vertegenwoordigen door mr. Stevers. Namens het Uwv verscheen drs. P.F.G. Hermans.

II. OVERWEGINGEN

1. Het beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) door het Uwv op 11 juli 2006 genomen besluit. Hierbij handhaaft het Uwv zijn besluit van 20 december 2005 tot de beëindiging van appellants WAO-uitkering per 8 februari 2006. De reden voor die beëindiging is dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt, in de eerste plaats, omdat medische redenen niet langer verhinderen dat hij zijn eigen (uitzend-) werk als magazijnbediende in een kledingbedrijf verricht.

2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

3. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank vaststelde en waarover tussen partijen geen discussie bestaat.

4.1. De Raad is het met de rechtbank eens dat het beroep niet slaagt.

4.2.1. De rechtbank kapittelde de vraagstelling van de bezwaarverzekeringsarts aan de door hem geraadpleegde psychiater Van Ittersum, omdat daarin staat dat appellant onwaarheid sprak toen hij op de hoorzitting verzweeg dat hij zich had onttrokken aan de dagbehandeling. Toch verbindt de rechtbank hieraan niet de door appellant gewenste conclusie dat daarmee het rapport van Van Ittersum als niet objectiveerbaar en onafhankelijk ter zijde moet blijven, want de rechtbank vindt in dat rapport daarvoor geen aanknopingspunten.

4.2.2. Waar appellant zich in hoger beroep hiertegen keert met de grief dat de rechtbank ten onrechte overwoog dat appellant op de hoorzitting niet de waarheid sprak, leest hij de aangevallen uitspraak verkeerd.

4.3.1. Bij de bezwaarverzekeringsarts rees tijdens de hoorzitting twijfel of de psychische gezondheidstoestand van appellant het verrichten van loonvormende arbeid toestond. Dat is de reden dat de bezwaarverzekeringsarts Van Ittersum vroeg appellant te onderzoeken en daarvan verslag te doen. Van Ittersum concludeert dat de door hem auto anamnestisch aangenomen obsessief compulsieve stoornis matig ernstig is. De vermijdende trekken die appellant aangeeft, neemt Van Ittersum niet waar en Van Ittersum schat het functioneren van appellant beter in dan hij zelf. Van Ittersum heeft zijn conclusies in zijn rapport inzichtelijk en binnen zijn deskundigheid onderbouwd.

4.3.2. Tegenover de visie van deze partijdeskundige bracht appellant informatie in van de hem behandelende psychiater. Hieruit blijkt dat appellant zich vrijwel steeds aan behandeling onttrok als onderdeel van extreem vermijdingsgedrag. Tijdens een klinische opname van 23 mei tot 14 juni 2006 ontweek appellant deelname aan groepstherapie vanwege de door hem uitgesproken angst en strandde de opname.

4.3.3. De Raad ziet in deze informatie onvoldoende reden tot twijfel aan de juistheid van de door Van Ittersum getrokken conclusies.

4.3.4. Die conclusies vormen de basis voor de door de bezwaarverzekeringsarts in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgelegde arbeidsbeperkingen. De Raad ziet onvoldoende reden voor twijfel aan de juistheid van deze FML.

4.4. Aan de hand van deze FML ziet de arbeidsdeskundige voor appellant geen belemmeringen (meer) om zijn eigen werk als magazijnbediende te doen. Dat advies is voldoende onderbouwd.

5. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een kostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR