Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
07-2695 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Rechtbank heeft beroep gegrond verklaard op basis van rapportage van door haar ingeschakelde deskundige. Ten onrechte volgens de Raad. De deskundige heeft vastgesteld en gerapporteerd dat (op zijn vakgebied) bij betrokkene geen enkele lichamelijke afwijking te vinden is. Aangezien de door betrokkene beschreven pijn niet als objectief vastgestelde medische gegevens zijn te aanvaarden, kan het niet anders zijn dan dat zijn conclusie dat betrokkene vanwege gecombineerde psychische en fysieke gronden volledig arbeidsongeschikt is te achten, is gebaseerd op een oordeel over de psychische toestand van betrokkene. Gelet op met name de ten tijde in geding nog voldoende actueel zijnde onderzoeksbevindingen van psychiater Van Laarhoven deelt de Raad dit oordeel van de deskundige niet. Vernietiging aangevallen uitspraak, mede wegens schending van art. 8:57 Awb. De Raad ziet geen aanleiding voor inschakeling klinisch psycholoog of psychiater en verklaart beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2695 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 april 2007, 05/3076 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 5 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.M.G. Cox, advocaat te Tilburg, aangevoerd zich geheel te kunnen vinden in de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2009. Voor appellant is verschenen E.H.J.A. Olthof. Voor betrokkene is verschenen mr. Cox.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene is voor haar werk als nopster/stopster gedurende 40 uren per week in februari 1982 ongeschikt geworden vanwege astmatische bronchitis en eczeem. In verband daarmee is aan haar toen per 14 december 1982 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% een AAW/WAO-uitkering toegekend.

Vervolgens is betrokkene gaan werken als kantinemedewerkster. Zij is op 1 oktober 1985 voor dit werk uitgevallen na thuis van een trap op haar stuitbeentje te zijn gevallen. Bij een operatie op 18 december 1985 is haar zitbeen deels verwijderd (coccygectomie), waarna aan haar per 12 september 1986 naar een mate van 80% of meer een AAW/WAO-uitkering is toegekend.

2.1. Bij besluit van 20 december 2004 is appellant na medisch en arbeidskundig onderzoek overgegaan tot intrekking per 18 februari 2005 van de aan betrokkene - laatstelijk op arbeidskundige gronden (een onvoldoende aantal geschikte functies te duiden) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer - toegekende WAO-uitkering, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan bedragen.

2.2. Bij besluit van 27 juli 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen zijn besluit van 20 december 2004 ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak en beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

3.2. Daartoe heeft de rechtbank overwogen op grond van de stukken en met name het rapport van de door haar als deskundige ingeschakelde orthopedisch chirurg dr. P.P.M.J.M. Naus, die betrokkene op 1 augustus 2006 heeft onderzocht en zich mede heeft gebaseerd op de medische stukken alsook het dagverhaal van betrokkene, van oordeel te zijn dat vanwege appellant ten aanzien van betrokkene te geringe beperkingen zijn vastgesteld en dat betrokkene niet in staat is te achten tot het verrichten van lichamelijke activiteiten, zodat het besluit op bezwaar berust op een onjuiste medische grondslag en reeds daarom dient te worden vernietigd.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat weliswaar in de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de bestuursrechter het oordeel van een door hem of haar ingeschakelde deskundige pleegt te volgen, maar er in dit geval voor de rechtbank gronden aanwezig waren om de conclusie van Naus niet over te nemen. Immers, Naus is volledig voorbijgegaan aan het resultaat van het neuro-orthopedisch onderzoek bij het RugAdviesCentrum (RAC), neergelegd in een van 14 maart 2002 daterend rapport van een op 7 maart 2002 op verzoek van de primaire verzekeringsarts van het Uwv ingesteld “multidisciplinair baseline onderzoek”, te weten dat er geen sprake is van objectieve pijn (dit kon niet worden aangetoond), maar wel van pijngedrag bij een invaliderend gedragspatroon (bewegingsarmoede). De conclusie van Naus dat betrokkene niet in staat is te achten tot het verrichten van welke lichamelijke activiteiten dan ook, berust met name op de door betrokkene gepresenteerde subjectieve klachten en is dan ook aantoonbaar onjuist.

5. Betrokkene heeft zich in hoger beroep geschaard achter de door de rechtbank overgenomen conclusie van Naus en nader nog verklaringen overgelegd van haar huisarts van 7 juni 2007 en 20 februari 2009 alsook van de klinisch psycholoog/psychotherapeut drs. J.A.M. de Leuw te Tilburg van 23 maart 2009 bij wie zij sedert 28 januari 2009 in behandeling is.

Ten aanzien van de verklaring van De Leuw heeft appellant onder verwijzing naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman van 3 april 2009 aangevoerd dat in die verklaring geen nieuwe medische feiten naar voren worden gebracht. Daarmee acht appellant bevestigd dat Naus diens conclusie in hoofdzaak heeft gebaseerd op de door betrokkene gepresenteerde subjectieve klachten en niet op grond van geobjectiveerde bevindingen, immers, uit die verklaring blijkt niet dat er sprake is van psychopathologie.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De Raad deelt het standpunt van appellant dat de rechtbank in dit geval niet had mogen afgaan op de - in reactie op de bezwaren van bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers bij brief van 15 december 2006 gehandhaafde - bevindingen van de door haar als deskundige ingeschakelde orthopedisch chirurg Naus.

6.3. Uit het rapport van Naus en zijn toelichting daarop bij brief van 15 december 2006 blijkt dat hij bij zijn lichamelijk onderzoek op 1 augustus 2006 geen enkele neuro-orthopedische afwijking heeft gevonden. Voorts blijkt uit dat rapport dat de heftige pijn (beginnend sacraal en ter hoogte van het os coccygis uitstralend in beide benen en naar midthoracaal) waarvan betrokkene tegenover hem melding heeft gemaakt, voor hem aanleiding is geweest zich te stellen op het standpunt dat die pijn objectief is, dat betrokkene dermate is getraumatiseerd dat zij ondraaglijke pijnen aan het stuitje heeft en dat zij dan ook op grond van fysieke en psychische gronden volledig ongeschikt is te achten voor welke lichamelijke activiteit dan ook.

6.4. Echter, uit zijn rapport noch uit zijn toelichting daarop kan blijken dat Naus in zijn onderzoek aandacht heeft besteed aan het in het op verzoek vanwege appellant uitgebrachte RAC-rapport van 14 maart 2002 neergelegde resultaat van

neuro-orthopedisch onderzoek. In dat rapport is vermeld dat bij dat onderzoek geen structurele en/of functionele afwijkingen zijn gevonden die het geheel van klachten van betrokkene zouden kunnen verklaren, dat er sprake lijkt van een zeer hardnekkig persisteren van de multifactorieel bepaalde klachten, dat de bewegingsarmoede bij betrokkene en haar pijngedrag daaraan debet zijn en dat uit psychologisch onderzoek naar voren is gekomen dat appellante, ondanks het ervaren van een grote lijdensdruk, tevreden is met de manier waarop ze met haar klachten omgaat.

6.5. Evenmin kan uit zijn rapport en toelichting daarop blijken dat Naus bij zijn onderzoek aandacht heeft besteed aan het op verzoek vanwege appellant uitgebrachte, van 2 oktober 2004 daterende rapport van psychiater J.H.M. van Laarhoven, die betrokkene heeft onderzocht en heeft geconcludeerd dat betrokkene haar leven te zeer heeft ingericht naar haar pijnklachten en dat vanuit psychiatrische optiek geen beperking van arbeidsgeschiktheid is te zien. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden op 30 september 2004, bijna vijf maanden voor de datum thans in geding, zodat de resultaten daarvan ten volle kunnen worden gebruikt bij de beoordeling van de situatie op dat moment.

6.6. Gelet op het in 6.4 en 6.5 overwogene deelt de Raad niet het oordeel van de rechtbank dat het rapport van Naus berust op zorgvuldig, althans volledig onderzoek.

Naus is in zijn hoedanigheid als orthopedisch chirurg door de rechtbank als deskundige ingeschakeld en in die hoedanigheid heeft hij vastgesteld en gerapporteerd dat (op zijn vakgebied) bij betrokkene geen enkele lichamelijke afwijking te vinden is. Aangezien de door betrokkene beschreven pijn niet als objectief vastgestelde medische gegevens zijn te aanvaarden, kan het niet anders zijn dan dat zijn conclusie dat betrokkene vanwege gecombineerde psychische en fysieke gronden volledig arbeidsongeschikt is te achten, is gebaseerd op een oordeel over de psychische toestand van betrokkene. Gelet op met name de ten tijde in geding nog voldoende actueel zijnde onderzoeksbevindingen van psychiater Van Laarhoven deelt de Raad dit oordeel van de deskundige niet. De Raad is van oordeel dat de rechtbank enkel op basis van de bevindingen van Naus niet op goede gronden heeft kunnen komen tot het oordeel dat het besluit op bezwaar van 27 juli 2005 berust op een onjuiste medische grondslag. Dat besluit dient dan ook reeds daarom te worden vernietigd. Aangezien in beroep noch in hoger beroep aan het dossier alsnog zijn toegevoegd medische stukken waaruit de conclusie is te trekken dat de belastbaarheid van betrokkene niet correct is vastgesteld, is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van dat besluit niet onjuist is. De Raad zal dan ook overgaan tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

6.7. Er is nog een andere - door appellant ter zitting van de Raad naar voren gebrachte - reden om tot vernietiging van de aangevallen uitspraak over te gaan. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld. De aangevallen uitspraak is - na heropening van het onderzoek - met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht gegeven door een andere rechter dan de rechter die de zaak ter zitting heeft behandeld. Weliswaar heeft de rechtbank aan beide partijen gevraagd om toestemming tot het achterwege laten van onderzoek ter zitting en hebben beide partijen die toestemming gegeven, maar bij dat verzoek heeft de rechtbank niet ook vermeld dat de verdere behandeling zal geschieden en de (aangevallen) uitspraak zal worden gedaan door een andere rechter. Dusdoende is de aangevallen uitspraak in strijd met het beginstel van een goede procesorde tot stand gekomen.

6.8. Gelet op de voorhanden stukken, het tijdsverloop sinds de intrekking van de WAO-uitkering aan betrokkene per 20 december 2004 en de ter zitting van de Raad door beide partijen kenbaar gemaakte wens om te komen tot finale geschilbeslechting, acht de Raad het mogelijk en geraden zelf in de zaak te voorzien.

Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat Naus in diens rapport van 23 augustus 2006 weliswaar heeft aangegeven: “Mogelijk dat een onderzoek door een klinisch psycholoog enig licht kan scheppen op de dramatische beleving van de pijnklachten van betrokkene, waardoor misschien een opening gevonden kan worden betrokkene op enigerlei wijze in het arbeidsproces te betrekken.”, maar dat de rechtbank aan die suggestie van Naus geen gehoor heeft gegeven en de Raad in het licht van de hiervoor aangehaalde onderzoeksbevindingen van psychiater Van Laarhoven onvoldoende aanleiding ziet om daaraan gehoor te geven door hetzij een klinisch psycholoog hetzij een psychiater als deskundige van de Raad in te schakelen; de voor dat laatste vereiste twijfel aan de juistheid van de voorhanden medische gegevens ontbreekt hier.

6.9. Rest de vraag of door appellant naar behoren is gemotiveerd dat betrokkene op 18 februari 2005 in staat was te achten de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen en of die functies de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaan.

6.10. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Ter zitting van de rechtbank van 21 april 2006 is gebleken dat van de zes aan betrokkene voorgehouden functies er nog vier zijn overgebleven, maar dat de daardoor slechts marginaal gewijzigde mediane loonwaarde niet heeft geleid tot een relevant verschil in mate van arbeidsongeschiktheid; die is (ruimschoots) minder dan 15% gebleven. Gelet op de ten aanzien van de in het Resultaat Functiebeoordeling vermelde signaleringen (ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid) gegeven toelichting is de Raad van oordeel dat de schatting kan worden gedragen door de eerste drie van deze overgebleven functies, nu deze de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaan.

7. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep, dient bijgevolg de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en dient het beroep tegen het besluit op bezwaar van 27 juli 2005 alsnog ongegrond te worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 27 juli 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2009.

(get.) C. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

KR