Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
09-1181 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Wettelijke rente over nabetaalde bezoldiging en inhaaltoelage. Fiscale schade. Renteverlies inzake lening auto. Verlies neveninkomsten. Aansprakelijkheidsverzekering particulieren. Omzetderving bedrijf echtgenote. Resterende materiële schade. Immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1181 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Gooi en Vechtstreek (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 28 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

De korpsbeheerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2007, 05/5056, in het geding tussen betrokkene en de korpsbeheerder.

Bij uitspraak van 26 juni 2008, 07/1836 AW + 07/5301 AW, LJN BD6326, heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding.

Partijen hebben over en weer hun standpunten uiteengezet.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2009. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Blanken, advocaat te ’s-Gravenhage. De korps-beheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen en

mr. L. Steenbergen, beiden werkzaam bij de politieregio Gooi en Vechtstreek (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandig-heden wordt verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 26 juni 2008. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was werkzaam als teamleider [naam team] bij de politieregio. Bij besluit van 22 september 2005 heeft de korpsbeheerder het per 15 juni 2005 aan betrokkene wegens zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het verkopen of verstrekken van een politieportofoon aan fotograaf K, het verduisteren van twee mobiele honden-kennels, het meermalen schenden van zijn ambtsgeheim en het verrichten van handelingen die strijdig zijn met zijn ambtsplicht, verleende strafontslag gehandhaafd. Dat besluit heeft de rechtbank Amsterdam bij de hiervoor genoemde uitspraak vernietigd, welke uitspraak de Raad bij zijn uitspraak van 26 juni 2008 heeft bevestigd.

1.2. De Raad heeft evenals de rechtbank geconstateerd dat betrokkene zich in zijn relatie met K. aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en dat die gedragingen bestaan uit het doorgeven aan K. van het adres van een locatie, het laten meedraaien van K. met politie-diensten en de bemiddeling bij een aangifte tegen K. Evenals de rechtbank heeft de Raad geoordeeld dat het aan betrokkene opgelegde strafontslag onevenredig is aan het door hem gepleegde en hem aan te rekenen plichtsverzuim, zoals dit nu naar aard en omvang is aanvaard. Het beroep tegen het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank genomen besluit, waarbij betrokkene de disciplinaire straf is opgelegd van plaatsing in één salarisschaal lager voor de duur van drie jaar, heeft de Raad ongegrond verklaard.

1.3. Betrokkene heeft de Raad verzocht om de korpsbeheerder te veroordelen tot vergoe-ding van door hem geleden en nog te lijden schade. Om de omvang van die schade vast te stellen heeft de Raad, zoals hiervoor is aangegeven, het onderzoek heropend.

2. Betrokkene heeft vervolgens verschillende schadeposten gesteld, waarop de Raad hieronder achtereenvolgens zal ingaan.

2.1. Wettelijke rente over de nabetaalde bezoldiging en de inhaaltoelage.

2.1.1. Het verzoek om wettelijke rente kan worden toegewezen. Ten aanzien van de berekening van de wettelijke rente overweegt de Raad dat volgens zijn vaste rechtspraak de renteschade dient te worden berekend op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de bruto salarisbedragen/inhaaltoelage en dat de rente verschuldigd is vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betalingen zouden hebben moeten plaatsvinden. Ter zitting heeft betrokkene de door de korpsbeheerder op 6 april 2009 verzonden berekeningen van de aan hem toekomende rente erkend als juist. Hierbij geldt wel, wat de korpsbeheerder ter zitting heeft onderschreven, dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

2.2. Fiscale schade.

2.2.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 23 april 1998, LJN ZB7910 en

AB 1998, 440) komt fiscale schade, bestaande uit het nadeel dat ontstaat doordat bij de nabetaling van het salaris achteraf een hoger bedrag aan inkomstenbelasting verschuldigd is dan het geval geweest zou zijn indien het inmiddels herroepen ontslagbesluit niet zou zijn genomen, voor vergoeding in aanmerking. Betrokkene heeft aanvankelijk een, niet met bewijsstukken, onderbouwde opstelling van de meer betaalde belasting over de jaren 2005 tot en met 2007 overgelegd. Daarna heeft hij een verklaring ingezonden van zijn administrateur. Volgens die verklaring zijn de effecten van het schijventarief over de jaren 2005 tot en met 2007 ondervangen door middeling en bestaat voor betrokkene de schade die niet wordt vergoed bij de middeling uit de drempel van € 545,-. Deze schade komt voor vergoeding in aanmerking.

2.3. Renteverlies inzake lening auto.

2.3.1. Betrokkene heeft in de periode tussen zijn ontslag en het moment waarop zijn dienstverband met de politieregio is hersteld in verband met het niet betalen van zijn bezoldiging de aflossing gestaakt van het doorlopend krediet dat hij had afgesloten voor de aankoop van een auto. Betrokkene wenst vergoeding van de in verband daarmee meer betaalde rente van € 995,40.

De Raad stelt vast dat het hier gaat om schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Gelet op artikel 6:119, eerste lid, van het BW kan de daarvoor toe te kennen schadevergoeding uitsluitend bestaan in de wettelijke rente. De gevraagde schadevergoe-ding kan daarom niet afzonderlijk worden toegewezen.

2.4. Verlies neveninkomsten.

2.4.1. Betrokkene heeft gesteld dat hij als gevolg van het onrechtmatig gebleken strafontslag tevens schade heeft geleden uit het wegvallen van de neveninkomsten, verband houdende met het verzorgen van de boekhouding en belastingaangiften van een aantal “politieklanten”. Deze schade is begroot op € 5.525,- bruto.

Nog daargelaten of een rechtens relevant causaal verband tussen het onrechtmatige ontslagbesluit en het verlies aan neveninkomsten kan worden aangenomen, gaat het om schade die niet is komen vast te staan. De zonder enige bewijsstukken ingediende cijferopstelling is onvoldoende om het verzoek te kunnen toewijzen.

2.5. Aansprakelijkheidsverzekering particulieren.

2.5.1. Aanvankelijk heeft betrokkene om vergoeding van de schade verzocht, die hij heeft geleden door stopzetting met ingang van de ontslagdatum van de premiebetaling voor de collectieve aansprakelijkheidsverzekering bij AON Nederland. Deze verzekering zou door de politieregio ten behoeve van betrokkene zijn afgesloten. In reactie op de stelling van de korpsbeheerder dat deelname aan de collectieve aansprakelijkheidsverzekering een keuze van de individuele medewerker is en dat betrokkene zelf dient zorg te dragen voor aanmelding en ook zelf premie is verschuldigd, heeft betrokkene aangevoerd dat hij in de periode voorafgaand aan de vernietiging van het ontslagbesluit niet kon kiezen voor deelname aan de collectieve verzekering. De schadevergoeding die hij op dit punt ver-zoekt bestaat uit de meerkosten die verbonden zijn aan het aangaan van een vervangende verzekering. De Raad stelt vast dat niet is aangetoond dat betrokkene een vervangende verzekering heeft afgesloten. De ter zitting opgevoerde berekening van de schade gaat immers uit van een bedrag aan premie per maand dat betrokkene kwijt zou zijn, indien hij zich voor het afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering zou wenden tot de ABN/AMRO. Dit verzoek moet worden afgewezen.

2.6. Omzetderving bedrijf echtgenote.

2.6.1. Het betreft hier schade van een derde, die niet kan worden toegewezen.

2.7. Resterende materiële schade.

2.7.1. Ter zitting hebben partijen op dit punt overeenstemming bereikt. Van de gevraagde schadevergoeding kan een bedrag van € 500,- worden toegewezen.

2.8. Immateriële schade.

2.8.1. Betrokkene heeft de door hem en zijn echtgenote geleden immateriële schade begroot op € 25.000,- netto. Gesteld is dat betrokkene als gevolg van het onrechtmatig gebleken strafontslag in zijn eer en goede naam is aangetast. Naast de gederfde levens-vreugde stelt betrokkene dat hij inmiddels medisch wordt begeleid vanwege bij hem geconstateerde suikerziekte en dat zijn echtgenote na het gegeven strafontslag is geconfronteerd met vijf TIA’s, een herseninfarct en een levensbedreigende hoge bloeddruk. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.6.1 kan immateriële schade die de echtgenote van betrokkene zou hebben geleden als schade van een derde niet worden toegewezen.De door betrokkene ingezonden medische stukken bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende basis voor het aannemen van een rechtens relevant causaal verband tussen de vastgestelde suikerziekte en het onrechtmatig strafontslag. Gelet op de omstandigheden dat betrokkene na herroeping van het strafontslag weer aan het werk is gegaan binnen het korps, dat de korpsbeheerder via intranet op een neutrale en correcte wijze heeft gecommuniceerd over de terugkeer van betrokkene in het korps en dat betrokkene voor het overgebleven deel van het hem verweten plichtsverzuim de disciplinaire straf van plaatsing in een lagere salarisschaal gedurende drie jaar opgelegd heeft gekregen, is de Raad er niet van overtuigd dat er sprake is geweest van een zodanige aantasting van de persoon of van de eer en goede naam, dat betrokkene daarom aanspraak op vergoeding van immateriële schade heeft. Het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.

3. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van betrokkene moet worden toegewezen zoals onder II vermeld. De Raad ziet voorts aanleiding om de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor verleende rechtsbijstand in deze schadestaatprocedure.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om schadevergoeding toe overeenkomstig hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 2.1.1, 2.2.1 en 2.7.1;

Wijst het verzoek voor het overige af;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 805,- aan kosten van rechtsbijstand, te betalen door de politieregio Gooi en Vechtstreek.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD