Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
08-219 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening (verzwegen inkomsten), 2) intrekking (langer dan de toegestane vier weken in het buitenland) en 3) terugvordering bijstandsuitkering. 4) Verlaging bijstandsuitkering gedurende 1 maand met 100%. 1) Verzwegen huurinkomsten en bankrekening. Het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan verkrijgen. 2) Appellante was ouder dan 57,5 jaar. Het was appellante derhalve toegestaan gedurende 13 weken per kalenderjaar op vakantie naar het buitenland te gaan. Niet is gebleken dat zij deze vakantieduur heeft overschreden. 3) Het College was bevoegd tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand over te gaan. 4) Niet gebleken dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellante het College aanleiding hadden moeten geven om het percentage van de verlaging lager vast te stellen of de duur van de verlaging te bekorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/219 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2007, 07/1135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.G.A.M. Halfers, kantoorgenoot van mr. Matadien. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. van der Heijden-Wijnen, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Ter zitting is de door appellante meegebrachte getuige, [naam getuige], zoon van appellante, gehoord.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van de melding dat appellante inkomsten uit verhuur van woningen in Suriname zou ontvangen, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 april 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 19 mei 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 27 september 2003 en van 1 tot en met 30 april 2004 te herzien en over de periode van 28 september 2003 tot en met 2 oktober 2003 in te trekken, alsmede om de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.380,14 van appellante terug te vorderen. De herziening berust op de overweging dat appellante een bankrekening in Suriname en inkomsten uit de verhuur van drie panden in Paramaribo heeft verzwegen. De intrekking berust op de overweging dat appellante gedurende de betreffende periode langer dan de toegestane vier weken in het buitenland heeft verbleven.

1.3. Bij afzonderlijk besluit van 19 mei 2005 heeft het College de bijstand van appellante voor de duur van een maand met 100% verlaagd.

1.4. Bij besluit van 16 februari 2007 heeft het College de bezwaren tegen de beide besluiten van 19 mei 2005 ongegrond verklaard op de gronden dat het recht op bijstand van appellante van 1 juli 1997 tot en met 27 september 2003 en van tot en met 30 april 2004 door de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld, en dat appellante van 28 september 2003 tot en met 2 oktober 2003 geen recht op bijstand had.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Volgens appellante is er geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting omdat de huurinkomsten haar niet toekomen en zij niet over de gelden op haar bankrekening in Suriname kon beschikken. Verder voert zij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de geldontwaarding en schommelende wisselkoersen. Ten aanzien van het verblijf in het buitenland heeft appellante aangevoerd dat aan haar is meegedeeld dat zij vanwege haar leeftijd langer dan vier weken in het buitenland mocht verblijven.

4.1.1. De Raad overweegt met betrekking tot de herziening van de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 27 september 2003 en van 1 tot en met 30 april 2004 het volgende.

4.1.2. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 19, tweede lid, van de WWB is de hoogte van de bijstand het verschil tussen het inkomen en de toepasselijke bijstandsnorm. Uit artikel 47, eerste lid, van de Abw en artikel 32, eerste lid, van de WWB volgt dat onder inkomen onder meer inkomsten uit verhuur wordt verstaan voor zover deze betrekking hebben op een periode van bijstandsverlening.

4.1.3. Vaststaat dat appellante ten tijde hier van belang beschikte over een bankrekening bij de RBTT Bank (Suriname) N.V. met nummer [nr.] en dat deze rekening op haar naam stond. Voorts staat vast dat appellante met ingang van 1 juli 1997 huurovereenkomsten is aangegaan voor de verhuur van drie panden aan de [adres] in Paramaribo en dat deze huurinkomsten werden bijgeschreven op de hiervoor verzwegen bankrekening. Voorts staat vast dat appellante de bankrekening en de huurinkomsten niet heeft gemeld.

4.1.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan verkrijgen. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. Uit de bankafschriften en uit de toelichting van appellante blijkt dat zij tijdens haar verblijf in Suriname in 2003 een aanzienlijk bedrag van voornoemde bankrekening heeft opgenomen, zodat zij toen daadwerkelijk de beschikking over de huurinkomsten had. Dat zij, zoals zij heeft gesteld, dit bedrag meteen aan haar zoon [naam getuige] heeft overhandigd, doet hieraan niet af. Ten aanzien van de huurinkomsten over april 2004 overweegt de Raad dat het College ter zitting heeft toegelicht dat overmaking van bedragen vanuit Suriname naar Nederland mogelijk was door tussenkomst van de deviezenbank, hetgeen door appellante niet is ontkend. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat appellante niet over deze huurinkomsten heeft kunnen beschikken. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het argument, nog daargelaten de juistheid ervan, dat de verhuurde panden eigendom zijn van de kinderen en dat appellante hierop met haar voormalige echtgenoot een zodanig beperkt vruchtgebruik heeft dat de baten uit de verhuur hen niet toekomen, geen doel treft, nu is komen vast te staan dat appellante de huurovereenkomsten is aangegaan, de huurinkomsten op de bankrekening van appellante werden gestort en appellante over het tegoed op haar bankrekening kon beschikken. Tot slot overweegt de Raad dat het College er niet van uit hoefde te gaan dat appellante de huurinkomsten moest delen met haar voormalige echtgenoot, omdat van een dergelijke bindende afspraak niet is gebleken en evenmin uit de feitelijke gang van zaken is gebleken dat er huurinkomsten naar de voormalige echtgenoot zijn gegaan.

4.1.5. Uit hetgeen onder 4.1.3 en 4.1.4 is overwogen volgt dat het op de weg van appellante had gelegen de bankrekening en de huurinkomsten in Suriname aan het College te melden. Door dit niet te doen heeft appellante gehandeld in strijd met op de haar rustende inlichtingenverplichting genoemd in artikel 65, eerste lid, van de Abw. Omdat appellante lang niet alle bankafschriften over de hier in geding zijnde periode heeft ingeleverd en door de forse koerswisselingen in de periode hier in geding een reële omrekening van de Surinaamse gulden en Surinaamse dollar naar de Nederlandse gulden en de euro niet meer is te maken, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 27 september 2003 en van 1 april 2004 tot en met 30 april 2004 niet meer worden vastgesteld. Met inachtneming hiervan had het College naar het oordeel van de Raad tot intrekking van de bijstand over deze periode kunnen overgaan met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Nu het College niet de volledige bijstand heeft ingetrokken maar deze (gedeeltelijk) heeft herzien, is appellante ter zake zeker niet te kort gedaan.

4.2.1. De Raad overweegt met betrekking tot de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 28 september 2003 tot en met 2 oktober 2003 het volgende.

4.2.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw heeft geen recht op bijstand degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland. In artikel 9, derde lid, van de Abw is bepaald dat nadere regels kunnen worden gesteld omtrent hetgeen wordt verstaan onder de gebruikelijke vakantieduur. De ter uitvoering van artikel 9, derde lid, van de Abw gegeven Regeling gebruikelijke vakantieduur (hierna: Regeling) bepaalt dat onder het begrip “gebruikelijke vakantieduur Abw” voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is, wordt verstaan: 13 weken per kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten vakantieperiode niet langer mag zijn dan 13 weken.

4.2.3. De Raad stelt vast dat appellante blijkens de gedingstukken op [datum]1946 is geboren, zodat zij op 28 september 2003 ouder was dan 57,5 jaar. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw in verbinding met de Regeling was het appellante derhalve toegestaan gedurende 13 weken per kalenderjaar op vakantie naar het buitenland te gaan. Niet is gebleken dat zij deze vakantieduur heeft overschreden. Het College was dan ook niet bevoegd de bijstand over de periode van 28 september 2003 tot en met 2 oktober 2003 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken op de grond dat appellante langer dan vier weken in het buitenland verblijf hield. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het beroep tegen het besluit van 16 februari 2007 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, voor zover het ziet op de intrekking van bijstand van appellante over de periode van 28 september 2003 tot en met 2 oktober 2003. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van dit vernietigde deel van het besluit in stand te laten, omdat gelet op hetgeen onder 4.1.4 is overwogen ook voor de hier aan de orde zijnde periode en op grond van dezelfde feiten geldt dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden.

4.3.1. De Raad overweegt met betrekking tot de terugvordering tot een bedrag van € 10.380,14 van appellante het volgende.

4.3.2. Uit hetgeen onder 4.1.4 en 4.2.3. is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand over te gaan.

4.4. De Raad stelt vast dat het College in overeenstemming met zijn beleid heeft gehandeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van herziening, intrekking en terugvordering had moeten afzien.

4.5.1. De Raad overweegt met betrekking tot de verlaging van de bijstand van appellante met 100% gedurende een maand het volgende.

4.5.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.5.3. Gelet op hetgeen de Raad onder 4.1.4 en 4.2.3 heeft overwogen, staat vast dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het College niet tijdig en volledig in te lichten over de bankrekening en de huurinkomsten in Suriname. Nu daarbij voorts niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, was het College gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellante te verlagen. De hoogte en duur van de verlaging is in overeenstemming met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 6, tweede lid, aanhef en onder f, van de op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB gebaseerde Afstemmingsverordening bepaald op 100 % van de bijstand gedurende een maand. De Raad is niet gebleken dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellante het College aanleiding hadden moeten geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB en artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening het percentage van de verlaging lager vast te stellen of de duur van de verlaging te bekorten. In hetgeen is aangevoerd is de Raad niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Afstemmingsverordening op grond waarvan het College kan afzien van het opleggen van een maatregel.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 februari 2007 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 28 september 2003 tot en met 2 oktober 2003;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.F. Bandringa en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.E. Giesen.

IA