Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI7036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
07-1121 AKW + 07-1162 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oorspronkelijke geschil had betrekking op de herziening met terugwerkende kracht van een eerder toegekend recht over acht kwartalen kinderbijslag en de weigering van kinderbijslag over twee kwartalen. De Svb heeft de herziening nu beperkt tot drie kwartalen kinderbijslag. De Raad oordeelt dat de Svb hiermee op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het gevoerde beleid. Gelet op de oorspronkelijke periode van herziening is appellant hierdoor zeker niet tekort gedaan. Geen sprake van onaanvaardbare sociale, financiële of immateriële gevolgen voortvloeiend uit de terugvordering. Boete kan de de rechterlijke toets doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1121 AKW

07/1162 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2007, 06/2413 en 06/2414 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 28 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. P.I. van Herwaarden, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2009. Het geding is gevoegd behandeld met het geding onder nummer 07/5461 AKW. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Herwaarden. Van de zijde van appellant was voorts als tolk aanwezig I. Öztürk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij uitspraak van 13 januari 2006, LJN AV0549, heeft de Raad het volgende overwogen, waarbij de Svb wordt aangeduid als gedaagde:

“De Raad stelt voorop dat, mede gezien de datum van het primaire besluit, 8 februari 2002, het onderhavige geschil betrekking heeft op het derde kwartaal van 1999 tot en met het vierde kwartaal van 2001. Over het derde kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2001 was door gedaagde aan appellant reeds kinderbijslag toegekend, zodat het in zoverre gaat om een herziening met terugwerkende kracht van een eerder toegekend recht. Voor zover het besluit ziet op het derde en vierde kwartaal van 2001 betreft het een weigering van kinderbijslag.

De Raad concludeert dat gedaagde voor wat betreft het derde en vierde kwartaal van 2001 aan appellant met recht kinderbijslag ten behoeve Gülsah en Canan heeft geweigerd. Met betrekking tot het derde kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2001 is gedaagde ten nadele van appellant teruggekomen van een eerdere toekenning van kinderbijslag. Gedaagde heeft dit onderdeel van zijn besluit, naar de Raad aanneemt, willen baseren op artikel 14a, eerste lid, van de AKW, waarin is bepaald dat gedaagde gehouden is een besluit tot toekenning van kinderbijslag in te trekken of te herzien, indien kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, welk beleid evenzeer geldt voor beslissingen ingevolge artikel 14a van de AKW, waarbij rekening wordt gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uit de gedingstukken blijkt niet dat gedaagde alvorens het bestreden besluit te nemen op enigerlei wijze rekening heeft gehouden met het hiervoor bedoelde beleid. De Raad ziet in dit geval echter geen aanleiding om hier consequenties aan te verbinden nu toetsing aan het beleid van gedaagde tot het oordeel leidt dat terecht tot herziening van de kinderbijslag over het derde kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van 2001 is overgegaan. Appellant is immers niet al zijn verplichtingen jegens gedaagde nagekomen door gedaagde niet tijdig te informeren over de wijziging van de woonplaats van Gülsah en Canan. Voorts wordt op grond van de beleidsregels van gedaagde met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of er sprake is van kennelijke onredelijkheid hecht gedaagde belang aan:

- de mate waarin de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin aan gedaagde een verwijt kan worden gemaakt;

- de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering daadwerkelijk ingrijpend is in het dagelijks leven van belanghebbende. De Raad moet vaststellen dat uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken op geen enkele wijze blijkt dat gedaagde zijn beleidsuitgangspunten met betrekking tot de kennelijke onredelijkheid in dit geval heeft beoordeeld. Dit betekent dat het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad onzorgvuldig is voorbereid en reeds op die grond niet in stand kan blijven. Gedaagde dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij beoordeeld dient te worden of er in dit geval wellicht sprake is van kennelijke onredelijkheid als hiervoor bedoeld. Daarbij merkt de Raad, wat betreft de mate waarin partijen een verwijt kan worden gemaakt, op dat weliswaar vaststaat dat appellant niet tijdig aan gedaagde heeft kennis gegeven van de verplaatsing van de woonplaats van Gülsah en Canan, maar dat gedaagde ook zonder die informatie van die verplaatsing op de hoogte had kunnen zijn.

Ten aanzien van de toetsing of het bestreden besluit daadwerkelijk ingrijpend is (geweest) in het dagelijks leven van appellant, merkt de Raad op dat het bestreden besluit leidt tot een terugvordering van een aanzienlijk bedrag van appellant en dat reeds deze omstandigheid enig onderzoek naar de gevolgen daarvan voor appellant noodzakelijk maakt.”

2.1. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft de Svb bij nader besluit van 24 april 2006 (hierna: bestreden besluit I) de herziening van het recht op kinderbijslag beperkt tot de periode vanaf het vierde kwartaal van 2000.

2.2. Voorts heeft de Svb bij nader besluit van 27 april 2006 (hierna: bestreden besluit II) de over het vierde kwartaal van 2000 tot en met het tweede kwartaal van 2001 voor Gülsah en Canan betaalde kinderbijslag teruggevorderd, een boete opgelegd en een besluit genomen over de invordering.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken het standpunt van de Svb onderschreven en heeft de beroepen ongegrond verklaard.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Tussen partijen is in geschil of de Svb, op grond van het door hem gevoerde beleid, de herziening van het recht op kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2000 met verdergaande terugwerkende kracht had dienen te beperken. Voorts is tussen partijen in geschil of de Svb de terugvordering had moeten matigen.

4.3. De Raad stelt voorop dat het oorspronkelijke geschil tussen partijen betrekking had op de herziening met terugwerkende kracht van een eerder toegekend recht over acht kwartalen kinderbijslag. Voorts betrof het geschil een weigering van kinderbijslag over twee kwartalen.

4.4. De Svb heeft bij het bestreden besluit I de herziening beperkt tot drie kwartalen kinderbijslag. De Raad is van oordeel dat de Svb hiermee op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het door hem op grond van artikel 3:4 van de Awb gevoerde beleid. Gelet op de oorspronkelijke periode van herziening is appellant hierdoor zeker niet tekort gedaan.

4.5. Naar het oordeel van de Raad kan voorts niet worden gezegd dat in het geval van appellant sprake is van dermate onaanvaardbare sociale, financiële of immateriële gevolgen voortvloeiend uit de terugvordering, dat de Svb rechtens gehouden moet worden geacht om geheel of ten dele van de terugvordering af te zien. Tot slot overweegt de Raad dat ook de opgelegde boete en het besluit ten aanzien van de invordering de rechterlijke toets kunnen doorstaan.

4.6. Uit het vorengaande volgt dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A. Kovács.

NK