Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI6948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
07-5841 WWB + 07-5842 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen bankrekening. Schending inlichtingenverplichting. Intrekkking en terugvordering bijstand. De Raad neemt (...) in aanmerking dat appellante ten aanzien van genoemde bankrekening als enige beschikkingsbevoegd was en dat zij, naar haar zeggen, als enige bedragen op deze rekening heeft gestort. De stelling van appellanten dat de gelden van de broer van appellante waren en dat zij deze gelden slechts beheerde omdat hij gokverslaafd is, is niet in toereikende mate met verifieerbare gegevens onderbouwd. De enkele verklaring van de broer van appellante kan daartoe niet dienen. Evenmin is onderbouwd de stelling dat appellante niet kon beschikken over deze gelden omdat haar broer in het bezit is van de bankpas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5841 WWB

07/5842 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 september 2007, 07/554 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Berendsen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berendsen als gemachtigde en G.L. Sanders als medegemachtigde. Het College is niet verschenen.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanwege het College van 8 december 2000 tot en met 28 november 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Uit een onderzoek naar aanleiding van een door het Inlichtingenbureau ontvangen vermogenssignaal is gebleken dat op ABN-AMRO rekening met nummer [rekeningnummer] ten name van appellante op 22 januari 2002 een bedrag van € 21.327,66 per kas is gestort. Op 31 december 2002 beliep het saldo van deze rekening € 28.576,-- en op 18 december 2003 was het saldo € 36.581,67. Van het bestaan van deze bankrekening hebben appellanten bij het College geen melding gemaakt.

1.3. Het College heeft hierin aanleiding gevonden bij besluit van 27 oktober 2006 de bijstand van appellanten over de periode van 22 januari 2002 tot en met 28 november 2003 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.785,64 van appellanten terug te vorderen op de grond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat zij in de periode in geding konden beschikken over een meer dan bescheiden vermogen.

1.4. Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het College het tegen het besluit van 27 oktober 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 31 van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

4.2. In artikel 34 van de WWB is bepaald wat onder vermogen wordt verstaan, welke vermogensbestanddelen - die bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezig zijn dan wel tijdens de bijstandsverlening worden ontvangen - als vermogen in aanmerking worden genomen en wat de toepasselijke vermogensgrens is.

4.3. Vaststaat dat appellante ten tijde in geding als enige houder was van een bankrekening bij de ABN-AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer] en dat het saldo daarvan gedurende de gehele in geding zijnde periode de voor appellanten geldende vermogensgrens ruimschoots overschreed. In vaste rechtspraak heeft de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat in een geval, waarin een bankrekening op naam van een bijstandontvanger een tegoed bevat, de vooronderstelling gerechtvaardigd is dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover deze de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

4.4. Naar het oordeel van de Raad zijn appellanten daarin niet geslaagd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante ten aanzien van genoemde bankrekening als enige beschikkingsbevoegd was en dat zij, naar haar zeggen, als enige bedragen op deze rekening heeft gestort. De stelling van appellanten dat de gelden van de broer van appellante waren en dat zij deze gelden slechts beheerde omdat hij gokverslaafd is, is niet in toereikende mate met verifieerbare gegevens onderbouwd. De enkele verklaring van de broer van appellante kan daartoe niet dienen. Evenmin is onderbouwd de stelling dat appellante niet kon beschikken over deze gelden omdat haar broer in het bezit is van de bankpas.

4.5. Door van bovenvermelde bankrekening, en het daarop staande tegoed, geen melding te maken bij het College hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet hierop was het College bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de in geding zijnde periode in te trekken. Dat de gemeente Nijmegen, naar appellanten stellen, onder dezelfde omstandigheden niet tot intrekking en terugvordering hebben besloten, betekent niet dat het door het College genomen besluit van 12 maart 2007 in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel. De WWB voorziet immers in een gedecentraliseerde uitvoering.

De mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde beleidsregel. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van de beleidsregel had moeten afwijken.

4.6. Met het voorgaande is tevens gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregel. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van de beleidsregel had moeten afwijken

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.C.F. Talman en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A. Badermann.

NK