Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI6857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
07-6980 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zelf ontslag genomen. Psychische klachten. Maatregel: verlaging 100% gedurende 1 maand. Appellant is tekortgeschoten in het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6980 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2007, 07/1759 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als Coördinator Logistiek/Techniek bij de Dienst Centrale Recherche van de politieregio Amsterdam-Amstelland. Met ingang van 1 maart 2006 is hem op zijn verzoek eervol ontslag uit deze functie verleend. Op 25 mei 2006 heeft appellant een werkloosheidsuitkering aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Vervolgens heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 5 december 2006 heeft het College hem deze uitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij afzonderlijk besluit van 5 december 2006 heeft het College appellant de maatregel opgelegd van verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand, op de grond dat hij onvoldoende heeft gedaan om zijn arbeid te behouden.

1.3. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het College het hiertegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vast staat dat appellant zelf ontslag heeft genomen. Hij stelt dat hem dit niet kan worden verweten, omdat hij bij het opzeggen van zijn dienstbetrekking in overspannen toestand verkeerde. In de gedingstukken heeft de Raad echter onvoldoende objectieve en verifieerbare gegevens gevonden die deze stelling ondersteunen. Weliswaar komt uit het psychologisch rapport van HSK Groep van 2 februari 2006 naar voren dat appellant onder behandeling stond wegens psychische klachten, maar een verband met het ontslag is daarin niet gelegd. In het rapport is juist aangegeven dat een zekere verbetering was opgetreden en dat de prognose ten aanzien van verdere klachtenreductie en werkhervatting gunstig was. Uit de ontslagrapportage van HSK Groep van 22 februari 2006, waaruit blijkt dat appellant de behandeling zelf heeft stopgezet, kan evenmin een verband tussen de klachten en het opzeggen van de arbeidsovereenkomst worden afgeleid. Het College heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant verwijtbaar door eigen toedoen werkloos is geworden. Dat appellant naderhand nog blijkbaar zonder succes heeft geprobeerd het ontslag terug te draaien, kan daaraan niet afdoen.

4.2. Hieruit volgt dat appellant is tekortgeschoten in het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Amsterdam (hierna: Verordening). Nu niet in geschil is dat appellant ten gevolge van het ontslag gedurende meer dan één maand een beroep doet op algemene bijstand, brengt het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening met zich dat dit tekortschieten moet worden aangemerkt als zeer ernstig. Hetgeen naar voren is gekomen omtrent de omstandigheden en mogelijkheden van appellant, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Verordening, leidt niet tot een andere kwalificatie van de gedraging. De Raad verwijst daarvoor mede naar zijn overwegingen onder 4.1. Het College was dus ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening gehouden om - zoals het heeft gedaan - de bijstand gedurende één maand met 100% te verlagen.

4.3. Anders dan appellant betoogt, doet aan deze gehoudenheid niet af dat de opzegging van de dienstbetrekking heeft plaatsgevonden op een tijdstip waarop appellant nog geen bijstand ontving. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat een maatregel ook dan aan de orde is indien bij de aanvraag om bijstand blijkt dat de betrokkene daaraan voorafgaand zijn baan door eigen toedoen heeft verloren en als gevolg daarvan op bijstand is aangewezen.

4.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate waarin deze aan appellant verweten kan worden of de omstandigheden waarin appellant verkeert aanleiding geven om de verlaging met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 5, eerste lid, van de Verordening lager vast te stellen.

4.5. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

IJ