Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI6838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
07-5114 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering. Voldoende medische grondslag. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat in de aanwezige medische informatie geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden dat de ernst van de nek- en schouderklachten van appellant, zijn concentratieklachten en zijn oogklachten is onderschat en dat die klachten leiden tot meer beperkingen voor het verrichten van arbeid dan in de FML is vastgelegd. De Raad is van oordeel dat met de mededelingen van de gemachtigde van appellant een zodanige twijfel is gerezen met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van besluit dat dit besluit gelet op het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen besluit ongegrond verklaarde. De Raad vernietigt ook dat besluit en draagt het Uwv op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5114 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 juli 2007, 07/66

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G. Klumpenhouwer, werkzaam bij De Groot Heupner BV te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2009. Voor appellant is verschenen mr. G.H. de Haan, kantoorgenoot van mr. Klumpenhouwer. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 juni 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van

7 augustus 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 25% is.

1.2. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard bij besluit van 27 december 2006 (besluit 1). Nadat namens appellant beroep was ingesteld tegen besluit 1, heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij dit besluit van 30 maart 2007 (besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2006 gegrond verklaard en bepaald dat de WAZ-uitkering per 7 augustus 2006 wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2.1. De rechtbank heeft met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen besluit 1 mede gericht geacht tegen besluit 2.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met bepalingen over vergoeding van de kosten van de bezwaar- en beroepsprocedure en het griffierecht. Het beroep tegen besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat de voorhanden medische gegevens geen aanknopingspunten geven om de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken en dat uitgaande van de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) verwoorde beperkingen de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de door de bezwaararbeidsdeskundige verstrekte toelichting, voor appellant geschikt zijn.

3. In hoger beroep heeft appellant, mede onder verwijzing naar alle in bezwaar en beroep ingenomen standpunten, een zevental beroepsgronden geformuleerd. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant het geschil beperkt tot de vragen of de FML de beperkingen van appellant juist weergeeft en of hij met die beperkingen in staat geacht kan worden de hem bij wijze van arbeidsmogelijkheden voorgehouden functies te vervullen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens ingebracht. Zijn stelling dat de rechtbank op grond van de beschikbare gegevens niet tot het oordeel had kunnen komen dat bezwaarverzekeringsarts T.J.W. Jansen met zijn rapportage van 6 december 2006 en de FML van diezelfde datum zijn beperkingen juist in beeld bracht, onderschrijft de Raad niet. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat in de aanwezige medische informatie geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden dat de ernst van de nek- en schouderklachten van appellant, zijn concentratieklachten en zijn oogklachten is onderschat en dat die klachten leiden tot meer beperkingen voor het verrichten van arbeid dan in de FML is vastgelegd. Dat brengt ook de Raad tot het oordeel dat besluit 2 berust op een juiste medische grondslag.

4.2. De bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald heeft met zijn rapportage van

7 december 2006 één van de oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies laten vervallen, zodat de vraag resteert of appellant met zijn in de FML van 6 december 2006 vastgelegde beperkingen in staat is om de in de Arbeidsmogelijkhedenlijst van 18 juni 2007 genoemde functies van samensteller metaalwaren, productiemedewerker textiel, geen kleding en productiemedewerker industrie te vervullen.

4.3. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad meegedeeld dat het Uwv met een besluit van 17 december 2007 heeft beslist over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 februari 2007. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. Nadat beroep was ingesteld, heeft het Uwv met een besluit van 2 december 2008 opnieuw beslist op het bezwaar van appellant en, onder gegrondverklaring daarvan, de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 22 februari 2007 verhoogd van 45 tot 55% naar 55 tot 65%. De gemachtigde van appellant heeft verder meegedeeld dat aan dit laatste besluit een rapportage ten grondslag ligt van een bezwaararbeidsdeskundige die de functies van productiemedewerker textiel, geen kleding en productiemedewerker industrie in verband met een overschrijding van de belastbaarheid van appellant op het item ‘hoofdbewegingen maken’ niet langer geschikt acht. Uitgangspunt bij de beoordeling is geweest de FML van 6 december 2006. De in de rapportage besproken functies hebben, aldus de gemachtigde, dezelfde functienummers als de functies die de in dit geding aan de orde zijnde schatting zouden moeten dragen.

4.4. De Raad stelt vast dat bezwaarverzekeringsarts Jansen in de FML van 6 december 2006 bij item 4.17 (hoofdbewegingen maken) heeft vastgelegd dat de beweeglijkheid van het hoofd in alle richtingen aanzienlijk beperkt is, dat appellant het hoofd niet of nauwelijks zijwaarts kan draaien en tevens niet of nauwelijks op en neer kan bewegen met als toelichting dat zijwaarts bewegen beperkt is tot 30 graden en vooroverbuigen van het hoofd tot 20 graden. De Raad stelt verder vast dat in de beschrijvingen van de functiebelasting van de productiemedewerker textiel, geen kleding en de productiemedewerker industrie weliswaar geen kenmerkende belasting wordt genoemd bij item 4.17 maar dat wel sprake is van werkzaamheden waarbij het vooroverbuigen van het hoofd noodzakelijk is bij het werken met een naaimachine en het monteren van kleine onderdelen.

4.5. De Raad is van oordeel dat met de mededelingen van de gemachtigde van appellant een zodanige twijfel is gerezen met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van besluit 2 dat dit besluit gelet op het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaarde. De Raad vernietigt ook dat besluit en draagt het Uwv op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant.

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 maart 2007 gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellant;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,- te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van € 106,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van de Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR