Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI6829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
07-4364 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en bijzondere bijstand wegens toekenning Wajong-uitkering, uitkering ingevolde de Toeslagenwet en alleenstaande ouderkorting. De Raad stelt (...) vast dat het Uwv de aan appellante toekomende uitkering en toeslag over de periode van 20 maart 2005 tot en met 30 april 2006 niet aan haar, maar - bij wijze van verrekening - aan het College heeft betaald, nadat het College opgave had gedaan van de over deze periode verstrekte bijstand. Daaraan kan de Raad geen andere gevolgtrekking verbinden dan dat appellante ook na de toekenning van de Wajong-uitkering met toeslag feitelijk niet de beschikking heeft gekregen over middelen met betrekking tot de periode van 20 maart 2005 tot en met 30 april 2006 en daarover ook niet redelijkerwijs kon beschikken.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/200
USZ 2009/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4364 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 juni 2007, 06/2830 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. Voor appellante is verschenen mr. Deijkers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Vriend en J.N.J. Steltenpool, beiden werkzaam bij de gemeente Stede Broec.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving gedurende de perioden van 30 juni 2004 tot en met 11 november 2005 en van 3 februari 2006 tot en met 30 april 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 18 april 2006 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan appellante met terugwerkende kracht vanaf 20 maart 2005 een uitkering toegekend ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Samen met de haar eveneens toegekende uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW) bedraagt deze uitkering 90% van het minimumloon. Daarnaast heeft zij recht op een alleenstaande ouderkorting. Het Uwv heeft de Wajong-uitkering en de toeslag vanaf 1 mei 2006 rechtstreeks aan appellante uitbetaald. Bij brief van 18 april 2006 heeft het Uwv het College verzocht om een specificatie van de verstrekte bijstandsuitkering over de periode van 20 maart 2005 tot en met 30 april 2006 met het oog op de verrekening van dit bedrag met de Wajong-uitkering over die periode.

1.2. Bij besluit van 7 juni 2006 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 20 maart 2005 ingetrokken op de grond dat zij met ingang van deze datum recht heeft op een Wajong-uitkering en een toeslag op grond van de TW, welke inkomsten voldoende zijn om zelfstandig in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Bij dat besluit zijn tevens de kosten van de over de periode van 20 maart 2005 tot en met

11 november 2005 en van 3 februari 2006 tot en met 30 april 2006 aan appellante verleende algemene bijstand en de bijzondere bijstand tot een bedrag van € 767,30 van haar teruggevorderd. Daarbij is aan appellante meegedeeld dat de betaalde algemene en bijzondere bijstand door het Uwv aan het College zal worden terugbetaald en het restant van de Wajong-uitkering en de toeslag aan haar zal worden overgemaakt.

1.3. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt voor zover daarbij de bijzondere bijstand van haar is teruggevorderd. Bij besluit van 16 augustus 2006 heeft het College dat bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit is, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat de terugvordering is gebaseerd op artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB en dat sprake is van een zelfstandig terugvorderingsbesluit. De naderhand toegekende Wajong-uitkering plus toeslag heeft betrekking op een periode waarover bijzondere bijstand is verleend. Bij de toekenning van die bijstand is de draagkracht van appellante op nihil vastgesteld. Bij de terugvordering moet de draagkracht opnieuw met medeneming van die middelen worden berekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bepaalt - voor zover hier van belang - dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat (1e) de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

4.2. Aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt kan tot terugvordering worden overgegaan.

4.3. Vaststaat dat de aan appellante toegekende Wajong-uitkering en toeslag mede betrekking hebben op de periode waarin aan haar bijzondere bijstand is verleend en dat in zoverre is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB. De Raad stelt echter tevens vast dat het Uwv de aan appellante toekomende uitkering en toeslag over de periode van 20 maart 2005 tot en met 30 april 2006 niet aan haar, maar - bij wijze van verrekening - aan het College heeft betaald, nadat het College opgave had gedaan van de over deze periode verstrekte bijstand. Daaraan kan de Raad geen andere gevolgtrekking verbinden dan dat appellante ook na de toekenning van de Wajong-uitkering met toeslag feitelijk niet de beschikking heeft gekregen over middelen met betrekking tot de periode van 20 maart 2005 tot en met 30 april 2006 en daarover ook niet redelijkerwijs kon beschikken.

4.5. Gezien de onder 4.4 vermelde conclusie beantwoordt de Raad de vraag of appellante heeft kunnen beschikken over middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, anders dan het College en de rechtbank, ontkennend.

Het besluit van 16 augustus 2006 berust dan ook, voor zover aangevochten, niet op een deugdelijke (bevoegdheids)grondslag.

4.6. Nu de rechtbank dat niet heeft onderkend, zal de Raad met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2006 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, voor zover daarbij de terugvordering van bijzondere bijstand is gehandhaafd. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 6 juni 2006 in zoverre herroepen, aangezien dit op dezelfde onjuist gebleken grondslag berust en dat gebrek niet kan worden hersteld.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2006, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 augustus 2006 voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering van bijzondere bijstand;

Herroept het besluit van 7 juni 2006 in zoverre;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de gemeente Stede Broec;

Bepaalt dat de gemeente Stede Broec aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en W.F. Claessens als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

NK