Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI6820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
07-6287 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toezending stukken in bezwaar.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 279 met annotatie van Redactie
USZ 2009/216
JB 2009/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6287 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 september 2007, 07/1309 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. van der Heijden - Van Wijnen, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar overweging 2.1 van de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving sedert februari 2002 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In oktober 2004 is zij gestart in het door het College aangeboden re-integratietraject bij Brugbaan.

1.2. Bij besluit van 31 augustus 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2005 verlaagd met 5% gedurende een maand. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante een kopie van het bewijs van inschrijving als werkzoekende bij het Centrum voor werk en inkomen (hierna: CWI) niet binnen de door het College gestelde termijn heeft ingeleverd.

1.3. Bij besluit van 21 september 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2005 verlaagd met 20% gedurende een maand. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante zich niet heeft gehouden aan de afspraken die zijn gemaakt ten aanzien van het traject bij Brugbaan en dat als gevolg daarvan dit traject zonder resultaat is beëindigd.

1.4. Bij besluit van 2 maart 2007 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 31 augustus 2005 en 21 september 2005 ongegrond verklaard met dien verstande dat aan de maatregel van 20% gedurende een maand alsnog ten grondslag is gelegd dat appellante heeft geweigerd deel te nemen aan een gesprek met haar klantmanager en de teamchef van het Bureau Brugbaan dat erop was gericht meer duidelijkheid te krijgen over de afspraken welke in het kader van haar re-integratietraject zijn gemaakt en over de daaromtrent gevoerde communicatie, en dat als gevolg van die weigering het traject bij Brugbaan zonder resultaat is beëindigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De Raad stelt voorop dat de opnieuw in hoger beroep opgeworpen grief dat het College in strijd met artikel 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet heeft voldaan aan het in de fase van bezwaar gedane verzoek van (gemachtigde van) appellante om toezending van de stukken geen doel treft.

4.1.2. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak ter zake (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 september 2007, LJN BB3024) overweegt de Raad dat in de Awb een afzonderlijke regeling is neergelegd voor toezending van stukken in de fase van bezwaar, die afwijkt van die voor toezending van stukken in de fase van beroep bij de rechtbank. In de eerstgenoemde fase is het bestuursorgaan verplicht in ieder geval de vertegenwoordiger van degene die bezwaar maakt de voor de belanghebbende bestemde berichten te doen toekomen die na de aanvang van de bezwaarprocedure worden verzonden. Daarnaast bestaat er voor belanghebbenden - behoudens voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden - de mogelijkheid van inzage van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Ten slotte is er de mogelijkheid tot het verkrijgen van afschriften daarvan tegen vergoeding van ten hoogste de kosten. Gelet op dit in de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb neergelegde stelsel, kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangenomen dat in artikel 7:4, vierde lid, van de Awb de verplichting voor het bestuursorgaan besloten ligt om in de bezwaarfase ook die stukken aan de vertegenwoordiger van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de aanvraag en het primaire besluit.

4.2. Voor de in dit geding van belang zijnde materiële bepalingen verwijst de Raad naar overweging 2.3 van de aangevallen uitspraak. Hij voegt daaraan het volgende toe.

4.2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Rotterdam (hierna: Afstemmingsverordening) leidt het niet nakomen van een verplichting op grond van artikel 17 van de WWB, zonder dat dit tot gevolg heeft gehad dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand of een langdurigheidstoeslag is verleend, tot een maatregel van de eerste categorie als sprake is van het niet tijdig, binnen de door het college gestelde termijn, verstrekken van informatie die van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand of de langdurigheidstoeslag.

4.2.2. In artikel 3, tweede lid, van de Afstemmingsverordening is bepaald dat het college kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing als de verwijtbare gedraging van de belanghebbende niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of langdurigheidstoeslag, tenzij die gedraging heeft plaatsgevonden binnen twaalf maanden nadat aan de belanghebbende eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven of een maatregel is opgelegd.

4.2.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Afstemmingsverordening kan het college afzien van het opleggen van een maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

De maatregel van 5% gedurende een maand

4.3.1. Uit de gedingstukken blijkt dat het College appellante bij brief van 20 juli 2005 heeft verzocht om vóór 1 augustus 2005 een kopie van het bewijs van inschrijving als werkzoekende bij het CWI op te sturen. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat appellante aan dat verzoek geen gevolg heeft gegeven. De omstandigheid dat appellante op 25 augustus 2005 heeft voldaan aan het verzoek van het College van 24 augustus 2005 om vóór 30 augustus 2005 alsnog een kopie van het bewijs van inschrijving in te leveren maakt dat niet anders. Daarmee is gegeven dat appellante niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, zodat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB was gehouden de bijstand van appellante te verlagen.

4.3.2. Het College heeft de betreffende gedraging terecht gekwalificeerd als een gedraging van de eerste categorie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening. De Raad stelt voorts vast dat de opgelegde verlaging in overeenstemming is met de verlaging die op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening bij gedragingen van de eerste categorie als regel moet worden opgelegd. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat de ernst van de gedraging, de mate waarin appellante de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin zij verkeert het College aanleiding hadden dienen te geven om de vastgestelde verlaging te matigen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College in haar geval met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Afstemmingsverordening had moeten volstaan met een waarschuwing of dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Afstemmingsverordening.

De maatregel van 20% gedurende een maand

4.4.1. Uit de gedingstukken blijkt dat er tussen appellante en de teamchef van het Bureau Brugbaan een verschil in opvatting bestond over de afspraken die met appellante over het re-integratietraject bij Brugbaan waren gemaakt. Op 25 augustus 2005 heeft de klantmanager van appellante haar voorgesteld om in een zogeheten viergesprek duidelijkheid te verkrijgen over de gemaakte afspraken. Bij dit gesprek zouden appellante, de teamchef en de jobcoach van het Bureau Brugbaan en de klantmanager aanwezig zijn. Blijkens een schriftelijke door haar ondertekende verklaring van

25 augustus 2008 heeft appellante niet willen meewerken aan een gesprek om de problemen rondom het traject bij Brugbaan te verhelderen omdat ze daar geen behoefte aan had. Nog diezelfde dag is het re-integratietraject beëindigd.

4.4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante door zich te gedragen zoals hiervoor onder 4.4.1 is beschreven, zich in houding en gedrag niet constructief opgesteld bij de door de klantmanager ondernomen poging om duidelijkheid te verkrijgen over de in het kader van het re-integratietraject bij Brugbaan gemaakte afspraken. Dat betekent dat appellante onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en derhalve niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op haar rustende verplichting. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, zodat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB was gehouden de bijstand van appellante te verlagen.

4.4.3. Het College heeft de betreffende gedraging terecht gekwalificeerd als een gedraging die de arbeidsinschakeling belemmert, een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening.

De Raad stelt voorts vast dat de opgelegde verlaging in overeenstemming is met de verlaging die op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Afstemmingsverordening bij gedragingen van de derde categorie als regel moet worden opgelegd. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat de ernst van de gedraging, de mate waarin appellante de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin zij verkeert het College aanleiding hadden dienen te geven om de vastgestelde verlaging te matigen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Afstemmingsverordening.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Badermann.

NK