Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI6436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
08-522 WWB + 08-525 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen cautie vereist bij het afleggen van een verklaring in het kader van een onderzoek dat uitsluitend erop is gericht het recht op bijstand (nader) vast te stellen of te herbeoordelen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 371 met annotatie van H.E. Bröring
USZ 2009/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/522 WWB

08/525 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 20 december 2007, 07/950 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 20 december 2007, 07/5725 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft in het geding 08/522 WWB een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding tussen [H.] (hierna: [H.]) en het College met reg. nr. 08/515 WWB, plaatsgevonden op 7 april 2009. Namens appellant is verschenen mr. Klaas. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de onderhavige zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Uit de relatie van appellant met [H.] zijn twee kinderen geboren, die door appellant zijn erkend, waarvan de jongste, [P.], [in] 1978 is geboren. Appellant ontving vanaf 28 november 1985 bijstand naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant zou samenwonen met [H.] op het adres [adres] in [plaatsnaam] heeft het Bureau Debiteurenbeheer en Fraudebestrijding een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 4 augustus 2006, zijn twee huisbezoeken afgelegd aan het door appellant opgegeven woonadres [adres 2] in [plaatsnaam] en heeft appellant op 13 juli 2006 een verklaring afgelegd. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft het College geconcludeerd dat appellant met [H.] sedert 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding voert, waarvan hij aan het College geen mededeling heeft gedaan. Bij besluit van 7 augustus 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juni 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 109.215,26 van appellant teruggevorderd.

1.3. Het College heeft bij besluit van 9 januari 2007 (hierna: besluit I) het door appellant tegen het besluit van 7 augustus 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College zich op het standpunt gesteld dat appellant en [H.] in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van [H.]. Gelet op de uit de relatie geboren kinderen, die appellant heeft erkend, heeft het College de gezamenlijke huishouding gebaseerd op de artikelen 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) en van de WWB, in welke situatie in verband met het zogeheten onweerlegbaar rechtsvermoeden kan worden volstaan met de vaststelling van het gezamenlijke hoofdverblijf.

1.4. Appellant heeft op 4 januari 2007 opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 5 januari 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Bij het besluit van 7 augustus 2007 (hierna: besluit II) heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 januari 2007 ongegrond verklaard. Aan besluit II heeft het College eveneens ten grondslag gelegd dat appellant en [H.] hun hoofdverblijf in de woning van laatstgenoemde hebben en dat uit het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB volgt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen besluit I ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 is het beroep van appellant tegen besluit II eveneens ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

08/525 WWB

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 1997 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. In dit geval is dat de periode van 1 juli 1997 tot en met 7 augustus 2006.

4.2. Voorts is de Raad van oordeel dat het feit dat uit de relatie van appellant en [H.] kinderen zijn geboren er in dit geval niet toe kan leiden dat slechts op basis van het gezamenlijk hoofdverblijf van appellant en [H.] voor de hier van belang zijnde periode op grond van de artikelen 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en de WWB aangenomen kan worden dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Daaraan staat in de weg dat de jongste dochter ten tijde in geding reeds meerderjarig was. Op dit punt wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 24 april 2008, LJN BD0478. Daaruit vloeit voort dat de intrekking van de bijstand op onjuiste gronden berust en dat besluit I in zoverre op een ondeugdelijke motivering berust.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en besluit I wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand met ingang van 1 juli 1997.

4.3. In aanmerking genomen dat het College zich reeds heeft uitgesproken over de vraag of er sprake was van wederzijdse zorg in de zin van de artikelen 3, derde lid, van de Abw en de WWB en appellant de gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te laten, acht de Raad het vervolgens geraden te bezien of er voldaan is aan de beide criteria voor een op voornoemde artikelen te baseren gezamenlijke huishouding, te weten van het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning en het blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.1. Vaststaat dat appellant en [H.] ten tijde hier van belang ieder over een eigen woning beschikten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad behoeft het aanhouden van een afzonderlijke woonruimte op zich niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal echter voldoende aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

4.4.2. Op grond van de in voornoemd rapport van 4 augustus 2006 neergelegde onderzoeksresultaten, bezien in combinatie met de tijdens de procedure in eerste aanleg ingebrachte aanvullende rapportage van 21 september 2007 en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal, is de Raad van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellant gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van [H.] aan de [adres]. Hierbij hecht de Raad betekenis aan de door appellant op 13 juli 2006 tegenover twee handhavingsmedewerkers afgelegde verklaring dat hij sinds ongeveer negen jaren bij [H.] in de [adres] woont en dat zijn kleding, administratie en alles wat hij heeft op dat adres liggen.

4.4.3. De Raad gaat voorbij aan de grief van appellant dat de door hem op 13 juli 2006 afgelegde verklaring buiten beschouwing moet worden gelaten omdat aan hem geen cautie is verleend. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 oktober 2008, LJN BG3682, is een bestuursorgaan niet gehouden de betrokkene, die in het kader van een onderzoek dat uitsluitend erop gericht is het recht op bijstand (nader) vast te stellen of te herbeoordelen een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij een verdachte in strafrechtelijke zin. De Raad stelt vast dat het onderzoek medio 2006 uitsluitend gericht was op de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand.

Uit het rapport blijkt dat het dossier aan de sociale recherche is overgedragen voor een in te stellen opsporingsonderzoek. Dat appellant er voorafgaande aan de door hem afgelegde verklaring niet op is gewezen dat hij mocht zwijgen, leidt derhalve niet tot de conclusie dat zijn verklaring door het College niet bij de besluitvorming mocht worden betrokken. Bovendien is de door appellant op 13 juli 2006 afgelegde verklaring tijdens zijn verhoor op 12 september 2007 in gelijke zin door hem bevestigd, waarbij hem wel cautie is verleend.

4.4.4. Voorts hecht de Raad betekenis aan de in het kader van het buurtonderzoek in september 2007 afgelegde verklaringen. De als getuige gehoorde buren hebben verklaard dat appellant en [H.] sedert jaren op het adres [adres] wonen en dat hun dochter [P.] destijds alleen in de woning aan het [adres 2] woonde. Voor de stelling van appellant dat hij alleen gedurende de zes maanden in 1997, waarin hij na een ernstig ongeval werd verzorgd door [H.], in haar woning hoofdverblijf heeft gehad, heeft appellant geen bewijs aangedragen en daarvoor is in de gedingstukken ook geen steun te vinden. De omstandigheid dat appellant weinig thuis was, geregeld elders overnachtte en veel dagen per jaar in verband met paardenrennen in het buitenland verbleef, kan naar het oordeel van de Raad niet afdoen aan de vaststelling dat hij zijn hoofdverblijf had in de woning van [H.].

4.5. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan. Tegen deze achtergrond acht de Raad van belang dat [H.] het huishouden deed, waaronder het doen van boodschappen, eten bereiden en wassen, en dat zij en appellant gezamenlijk maaltijden gebruikten. Voorts leverde appellant incidenteel een financiële bijdrage als hij bij het gokken had gewonnen. [H.] ondersteunt appellant bij de afwikkeling van zijn administratie, ziet toe op zijn financiële zaken en verzorgt hem bij ziekte of ongeval. Voorts gaat ze met appellant wel eens mee naar een paardenkoers. Met voorgaande is naar het oordeel van de Raad - eveneens - voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.

4.6. De Raad komt op grond van hetgeen hiervoor onder 4.4.1 tot en met 4.5 is overwogen tot de conclusie dat over de hier te beoordelen periode is voldaan aan de voorwaarden voor een gezamenlijke huishouding in de zin van de artikelen 3, derde lid, van de Abw en de WWB. Appellant had vanaf 1 juli 1997 geen recht op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, nu hij niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd.

4.7. Vaststaat dat appellant de wettelijk op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen door geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding. Nu die schending ertoe heeft geleid dat aan appellant vanaf 1 juli 1997 ten onrechte bijstand is verleend, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand in te trekken. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van die beleidsregels had moeten afwijken.

4.8. Hetgeen onder 4.7 is overwogen brengt mee dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juni 2006 over te gaan. Het College voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien het terug te vorderen bedrag niet hoger is dan € 125,-- of indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. Daargelaten dat appellant zijn stelling dat hij flinke schulden heeft, grote problemen in zijn leven heeft gekregen door zijn gokverslaving en daardoor een zwervend bestaan leidde en hij niet in staat is een zelfstandig bestaan op te bouwen niet heeft onderbouwd, acht de Raad die omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in de beleidsregels van het College. Voorts ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb geheel of gedeeltelijk van de beleidsregels had moeten afwijken.

4.9. Gelet op 4.6 en 4.7 zal de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van besluit I met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand laten. Wel is er aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

08/522 WWB

4.10. De Raad stelt vast dat de aanvraag van appellant van 4 januari 2007 strekt tot verlening van bijstand met ingang van 16 november 2006. Appellant heeft zich met ingang van die datum in de gemeentelijke basisadministratie laten inschrijven op het adres [adres]. Voorts hebben appellant en [H.] een contract getekend, inhoudende dat appellant vanaf 16 november 2006 in de woning van [H.] een kamer huurt. Hieruit blijkt, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd, dat appellant in de periode van 16 november 2006 tot en met 5 januari 2007 (de datum van het primaire besluit) zijn hoofdverblijf had in de woning van [H.].

4.11. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt. Op grond van hetgeen is overwogen onder 4.4.1 tot en met 4.5 staat vast dat appellant met [H.] met ingang van 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat hij daarom voor de verlening van de bijstand als gehuwd had moeten worden aangemerkt. Nu voorts niet in geding is dat appellant en [H.] ook in de periode van 16 november 2006 tot en met 5 januari 2007 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, is er gedurende die periode op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB sprake van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en [H.]. Daaruit vloeit voort dat het College de aanvraag van appellant van bijstand terecht heeft afgewezen, zij het dat niet het onweerlegbaar rechtsvermoeden ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, maar ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB van toepassing is.

4.12. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak II geen doel treft en dat deze uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad in het geding 08/522 WWB geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In het geding nr. 08/525 WWB:

Vernietigt aangevallen uitspraak I;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt besluit 1 voor zover daarbij de intrekking met ingang van 1 juli 1997 is gehandhaafd;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van besluit I in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen door de gemeente Haarlem;

Bepaalt dat de gemeente Haarlem aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 144,-- vergoedt.

In het geding nr. 08/522 WWB:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en W.F. Claessens als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB