Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI6148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
07-6450 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant kan geen aanspraak meer maken op voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat het aldus gemotiveerde besluit van het College in rechte stand houdt. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd verschilt niet wezenlijk van de door hem reeds in beroep naar voren gebrachte argumenten, die door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak zijn verworpen. Het College heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat - objectief bezien - de kans op het vinden van reguliere arbeid zo gering is dat deze geen daarop gerichte inspanningen meer rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6450 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 oktober 2007, 06/2860 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Simsek, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. Appellant is in persoon verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Veer, werkzaam bij de gemeente Woerden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1948, ontvangt bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Nadat hij reeds was vrijgesteld van de arbeids- en re-integratieverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB, heeft het College bij besluit van 22 september 2005 - voor zover thans nog van belang - bepaald dat hij ook niet meer in aanmerking komt voor een re-integratietraject.

1.2. Bij besluit van 14 juni 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 september 2005 ongegrond verklaard, behoudens aanpassing van de motivering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het College heeft zijn besluit dat appellant geen aanspraak meer kan maken op voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling doen steunen op de overweging dat in het verleden diverse re-integratietrajecten niet tot een bevredigend resultaat hebben geleid en dat er geen reëel uitzicht op arbeidsinschakeling meer bestaat.

4.2. Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat het aldus gemotiveerde besluit van het College in rechte stand houdt. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd verschilt niet wezenlijk van de door hem reeds in beroep naar voren gebrachte argumenten, die door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak zijn verworpen. Appellant verdient respect voor zijn niet aflatende streven om zich maatschappelijk nuttig te maken, zoals dit ook tot uiting komt in het door hem verrichte vrijwilligerswerk. Gezien zijn leeftijd, zijn medische beperkingen en de in het verleden ondernomen re-integratiepogingen heeft het College zich echter op goede gronden op het standpunt gesteld dat - objectief bezien - de kans op het vinden van reguliere arbeid zo gering is dat deze geen daarop gerichte inspanningen meer rechtvaardigt.

4.3. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en A.B.J. van der Ham en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) B.E. Giesen.

NK