Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI6034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
07-7159 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat de afhandeling van het bezwaar lang heeft geduurd levert geen grond op voor vernietiging van het besluit op dat bezwaar. Schending redelijke termijn: De bezwaarprocedure heeft vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot aan het nemen van het besluit op bezwaar ruim tweeëneenhalf jaar in beslag genomen. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7159 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 november 2007, 07/1332 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kollumerland (hierna College)

Datum uitspraak: 19 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Schütz, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door O. Roolvink, werkzaam bij de gemeente Kollumerland.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand.

Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft het College de bijstand over de periode van 3 mei 2004 tot en met 31 mei 2004 herzien (lees: ingetrokken) in verband met inkomsten van appellant over die periode.

1.2. Appellant heeft tegen het besluit van 17 augustus 2004 bij brief van 29 augustus 2004 bezwaar gemaakt. Bij brief van 22 september 2004 heeft het College de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd.

1.3. Bij besluit van het College van 29 september 2005 zijn de over de in 1.1 genoemde periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 680,44.

1.4. Mr. Schütz heeft bij brief van 29 september 2006 gevraagd naar de status van afhandeling van het bezwaarschrift van 29 augustus 2004. Daarop heeft het College geantwoord dat helaas is geconstateerd dat het bezwaarschrift nog niet is afgedaan, dat daartoe alsnog zal worden overgegaan en dat het bezwaarschrift in handen is gesteld van de Adviescommissie voor bezwaarschriften (hierna: commissie).

1.5. Op 28 november 2006 heeft de commissie een hoorzitting gehouden. Op 21 maart 2007 is het advies van de commissie over de te nemen beslissing uitgebracht.

1.6. Bij besluit van 25 april 2007 heeft het College het tegen het besluit van 17 augustus 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.7. Appellant heeft tegen het besluit van 25 april 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank. In zijn beroepschrift heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de zeer lange duur van afhandeling van zijn bezwaarschrift een zodanige schending van de beginselen van behoorlijk bestuur oplevert, dat alleen dit gegeven al aanleiding geeft voor vernietiging van het besluit van 25 april 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant de inhoud van het besluit van 25 april 2007 als zodanig niet heeft bestreden. De rechtbank heeft voorts de in 1.7 vermelde beroepsgrond verworpen en het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft tevens aangevoerd dat - rekening houdend met het tijdstip waarop de Raad tot een uitspraak zal komen - de totale duur van de procedure een schending oplevert van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), welke schending in het bijzonder dient te worden toegerekend aan het College. Hij verzoekt de Raad om veroordeling van het College tot vergoeding van de uit deze schending voortvloeiende schade, primair tot een bedrag dat gelijk is aan het teruggevorderde bedrag, subsidiair tot een bedrag van € 500,--.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het enkele feit dat de afhandeling van het bezwaar lang heeft geduurd geen grond oplevert voor vernietiging van het besluit op dat bezwaar. Verder stelt ook de Raad vast dat appellant geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen de intrekking van de bijstand over de periode van 3 tot en met 31 mei 2004. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 25 april 2007 derhalve terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak dient dus te worden bevestigd.

4.2. Wel treft doel de stelling van appellant dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en negen maanden verstreken. Volgens vaste rechtspraak moet worden geoordeeld dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn is overschreden. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant een rechtvaardiging is te vinden voor de lange duur van de procedure.

4.3. De Raad stelt voorts vast dat de grief van appellant over de lange duur van de procedure zich richt tegen het aandeel van het bestuursorgaan hierin. De bezwaarprocedure heeft vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot aan het nemen van het besluit op bezwaar ruim tweeëneenhalf jaar in beslag genomen. Als gevolg daarvan is appellant ervan afgehouden om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren.

4.4. Het standpunt van het College dat - samengevat - appellant zelf ook eerder actie had kunnen ondernemen tegen het uitblijven van het besluit op zijn bezwaarschrift brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Daarbij betrekt de Raad dat, nadat de raadsman van appellant in september 2006 had geïnformeerd naar de stand van zaken, het College er nog een half jaar over heeft gedaan om tot afhandeling van het bezwaar te komen.

4.5. De Raad acht het aannemelijk, mede gelet op de inhoud van het hoger beroepschrift, dat appellant als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad ziet om die reden aanleiding om de gemeente Kollumerland te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden immateriële schade. Gelet op de door de Raad daarvoor gehanteerde maatstaf (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, LJN BH1009) komt het primair gevorderde bedrag voor vergoeding in aanmerking. De Raad zal de schadevergoeding derhalve vaststellen op € 680,44.

4.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de gemeente Kollumerland tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van € 680,44.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter, en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B.E. Giesen.

IA