Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI6001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
07-6003 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Latente arbeidsverplichting alleenstaande ouder; problematische thuissituatie; taaltraject met vervolgstappen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Wet werk en bijstand 9
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/175
JWWB 2009, 152
USZ 2009/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6003 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2007, 06/2976 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2009. Voor appellante is niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B.M. Jap Ngie-Van Dam, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sedert 8 september 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij heeft de zorg voor vier minderjarige kinderen, geboren in respectievelijk 1995, 1998, 2002 en 2005. Op 9 januari 2006 is voor appellante een trajectplan opgesteld en getekend. In dat kader is zij aangemeld voor het “taaltraject oudkomers”. Bij besluit van 9 februari 2006 heeft het College aan appellante de verplichting opgelegd om te solliciteren naar werk voor 16 uur per week.

1.2. Bij besluit van 25 april 2006 is het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 25 april 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het College afdoende rekening heeft gehouden met de zorgwens van appellante en dat de vraag naar passende kinderopvang voor het jongste kind zich pas voordoet als er een daadwerkelijk aanbod van werk is.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verwijst voor de toepasselijke bepalingen van de WWB, de Re-integratieverordening van de gemeente Amsterdam en de daarop gebaseerde Beleidsregels naar de aangevallen uitspraak.

4.2. De Raad stelt vast dat appellante ten tijde in geding als hoofd van een eenoudergezin was belast met de zorg voor vier minderjarige kinderen. Uit de stukken blijkt dat het hier een problematisch gezin betreft met twee zeer jonge kinderen. De kinderen zijn, zo begrijpt de Raad uit het verhandelde ter zitting, allen onder toezicht gesteld en de oudste is doordeweeks (tot vrijdagmiddag 14.00 uur) uithuisgeplaatst. De een na oudste zit op een school voor kinderen met ernstige gedragsproblemen. Appellante zelf spreekt nauwelijks Nederlands. De Raad is van oordeel dat het onder deze omstandigheden van weinig realiteitszin getuigt om appellante een arbeidsverplichting, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, op te leggen van 16 uur per week. Dit klemt temeer nu het College het kennelijk zelf nodig heeft geacht dat appellante in het kader van een trajectplan eerst een intensieve taalcursus gaat volgen waarna de nodige vervolgstappen worden bezien. Het standpunt van het College dat de arbeidsplicht van appellante, zolang zij de intensieve taalcursus volgt, slechts latent aanwezig is, kan de Raad niet volgen. De rechtszekerheid brengt immers mee dat appellante moet kunnen afgaan op wat haar van officiële zijde via een besluit wordt meegedeeld. Dat het blijkbaar informeel beleid is om in situaties als deze de betrokkene niet daadwerkelijk op een opgelegde arbeidsverplichting aan te spreken of haar daarop af te rekenen, kan hier niet aan afdoen. Los van de vraag of de gezinssituatie een arbeidsplicht toelaat, ligt het naar het oordeel van de Raad minst genomen in de rede de arbeidsplicht tijdens het volgen van een met het oog op arbeidsinschakeling noodzakelijk geachte opleiding formeel op te schorten.

4.3. Gelet op een en ander, in onderlinge samenhang bezien, kon naar het oordeel van de Raad ten tijde hier van belang het voor 16 uur per week nakomen van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde verplichtingen niet van appellante worden gevergd. Het College had in het geval van appellante de ontheffing van die verplichtingen tijdelijk moeten continueren en zich vooralsnog - hooguit - moeten beperken tot het opleggen van de verplichting om gebruik te maken van de op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB aangeboden voorziening in de vorm van het volgen van een taalcursus, voor zover de thuissituatie dit redelijkerwijs toeliet. De Raad acht het voorts aangewezen dat het College, anders dan tot nu toe kennelijk is gebeurd, tevens de visie van de aangestelde gezinsvoogd bij zijn besluitvorming ter zake van de arbeidsplicht betrekt.

4.4. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het besluit van 25 april 2006, voor zover hierbij de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB zijn gehandhaafd, wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 25 april 2006 vernietigen en bepalen dat het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. Bij het nieuw te nemen besluit zal het College ook nader dienen te bezien hoe lang tijdelijke ontheffing in het geval van appellante nog is aangewezen. Voor de goede orde merkt de Raad op dat artikel 9, tweede lid, van de WWB niet de mogelijkheid biedt van een in tijd onbeperkte ontheffing van de arbeids- en re-integratieplicht.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 april 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appelante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

NW