Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI5953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
08-5893 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingen verplichting. Gezamenlijke huishouding. Voldaan aan het criterium hoofdverblijf in dezelfde woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5893 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2008, 07/4103 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Dorgelo, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dorgelo. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 13 september 1993 vanuit Suriname in Nederland gevestigd. Uit de relatie van appellant met [echtgenote] (hierna: [echtgenote]) is [in] 1992 een dochter geboren. Op 27 oktober 1993 is appellant gehuwd met [echtgenote]. Op 26 maart 1997 is de echtscheiding tussen appellant en [echtgenote] uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op 21 april 1997 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Amsterdam.

1.2. [echtgenote] heeft vanaf 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet, respectievelijk de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. Het College heeft de bijstand van [echtgenote] in zoverre herzien dat haar uitkering vanaf 22 april 1997 is berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.3. Naar aanleiding van een op 23 juli 2003 ingekomen tip dat [echtgenote] samenwoonde heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van [echtgenote].

De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 april 2007.

Het College heeft hierin aanleiding gevonden om bij besluit van 29 juni 2007 aan appellant kenbaar te maken dat in de periode van 1 juli 1997 tot en met 26 juli 2005 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen [echtgenote] en appellant, dat in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting geen melding is gemaakt van het voeren van deze gezamenlijke huishouding, dat ten gevolge daarvan ten onrechte bijstand is verstrekt aan [echtgenote] en dat deze bijstand wordt ingetrokken. Het College heeft de over deze periode ten behoeve van [echtgenote] gemaakte kosten van bijstand, bepaald op een bedrag van € 102.623,52, met toepassing van artikel 59, tweede lid en derde lid, van de WWB mede van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 2 oktober 2007 heeft het College het bestaan van de gezamenlijke huishouding gebaseerd op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Daartoe is vastgesteld dat uit de relatie van [echtgenote] met appellant een kind is geboren. Voorts heeft het College hoofdverblijf in dezelfde woning aanwezig geacht op de adressen [adres 1], [adres 2], [adres 3], [adres 4], [adres 5] en [adres 6]. Het College heeft daarbij verwezen naar de verklaringen van [echtgenote] en van haar zuster, [naam zuster], alsmede naar de bevindingen van het buurtonderzoek in de omgeving van de genoemde adressen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de verklaring van [echtgenote] niet consistent is en onder onaanvaardbare druk is afgelegd, dat [echtgenote] en [naam zuster] hun verklaringen naderhand hebben ingetrokken, dat de gezamenlijke huishouding niet kan worden gebaseerd op de bevindingen van het onderzoek, nu ten aanzien van dit onderzoek op onderdelen gerede twijfel bestaat en dat van medeterugvordering moet worden afgezien in verband met onoverkomelijke financiële problemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter beoordeling ligt voor de vraag of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Ingevolge die bepaling kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [echtgenote] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB heeft gevoerd. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. In onderhavige situatie is aan deze laatste eis voldaan, zodat de verdere beoordeling worden beperkt tot de vraag of appellant gedurende de in geding zijnde periode met [echtgenote] in dezelfde woning(en) hoofdverblijf heeft gehad. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [echtgenote] van 20 en 21 maart 2007 en van [naam zuster] van 20 maart 2007 een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant en [echtgenote] vanaf 1 juli 1997 tot en met 26 juli 2005 beiden feitelijk hun hoofdverblijf hadden op eerdergenoemde adressen. Uit de verklaringen komt naar voren dat appellant vanaf het moment dat hij uit Suriname kwam met [echtgenote] en hun dochter heeft samengewoond en dat deze samenwoning niet aan het College was gemeld. Ten aanzien van deze verklaringen ziet de Raad geen aanleiding in dit geval af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat [echtgenote] en [naam zuster] hun verklaring niet in vrijheid of onder onaanvaardbare druk hebben afgelegd. In dit verband tekent de Raad aan dat de verklaring van [echtgenote] in grote lijnen overeenstemt met de verklaring van [naam zuster] en bovendien steun vindt in de resultaten van het buurtonderzoek in de omgeving van eerdergenoemde adressen. Dat de juistheid van de feitelijke grondslag op onderdelen is bestreden, maakt dit oordeel niet anders, nu met deze betwisting aan de bevindingen van het onderzoek op hoofdlijnen geen afbreuk wordt gedaan.

4.4. Gelet op het vorenstaande acht de Raad voldoende aannemelijk dat over de periode van 1 juli 1997 tot en met 26 juli 2005 ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de over die periode gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

4.5. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. De Raad vat de verwijzing van appellant naar zijn financiële omstandigheden op als een beroep op de aanwezigheid van een dringende reden in de zin van dit beleid, in verband waarmee de medeterugvordering achterwege zou moeten worden gelaten. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen moet het bij dringende redenen om iets bijzonders of uitzonderlijks gaan en wel zodanig dat terugvordering voor de betrokkene tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties leidt. De door appellant gestelde verslechtering van zijn financiële situatie kan niet als een dringende reden in deze zin worden aangemerkt. De Raad wijst er daarbij op dat aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkene te allen tijde blijft beschikken over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van de beleidsregels had moeten afwijken.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NK