Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI5933

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
06-5391 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts de urenbeperking onterecht zou hebben laten vervallen. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit, voor zover dit betreft de intrekkingsdatum van de onderhavige WAO-uitkering, onvoldoende is gemotiveerd en derhalve is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In zoverre dient het Uwv met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In verband met een en ander kan ook de aangevallen uitspraak niet worden gehandhaafd. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5391 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 augustus 2006, 06/520 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het hoger beroep is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 27 juni 2008. Partijen zijn - met kennisgeving - niet verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voorzetting van het onderzoek heeft de Raad bij afzonderlijke brieven van 7 juli 2008 aan elk van de partijen vragen gesteld.

Het Uwv heeft, ter beantwoording van de aan hem gestelde vragen, op 23 juli 2008 een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman van eveneens 23 juli 2008 en de bezwaarverzekeringsarts W.H. van Leeuwen van 22 juli 2008 ingestuurd. De gemachtigde van appellante heeft op 30 oktober 2008 de gestelde vragen beantwoord.

De Raad heeft bij brief van 12 november 2008 nadere vragen aan het Uwv voorgelegd.

Het Uwv heeft op 3 december 2008 gereageerd op de brief van de gemachtigde van appellante van 30 oktober 2008 en heeft voorts met het oog op de nadere vragen een rapport van Van Leeuwen van 1 december 2008 overgelegd. Desgevraagd is hierop van de zijde van appellante op 29 januari 2009 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2009.

Appellante is, hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat van de zijde van appellante, ondanks het voorschrift van artikel 8:27, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat onder andere een verplichting te verschijnen bevat, niet is voldaan aan de oproeping om ter zitting te verschijnen. Gelet op artikel 8:31 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad hieruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. De door de gemachtigde van appellante ingezonden brief van 9 april 2009 met uitleg van het niet-verschijnen maakt dit niet anders.

2. Appellante was werkzaam als leerkracht basisonderwijs toen zij zich in mei 1996 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van lage rugpijn, pijn in haar rechterbeen en moeheidsklachten. Aan appellante is in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

3. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 26 januari 2005 onderzocht door de verzekeringsarts K. Holwerda. In een rapport van dezelfde datum heeft Holwerda, die bij het onderzoek aan de rug geen duidelijke bewegingsbeperkingen vond en als diagnose stelde chronische aspecifieke rugpijnen sinds een rugoperatie, het plausibel geacht dat appellante voor maximaal vier uur per dag belastbaar was. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat het verlies van verdienvermogen 59,90% bedroeg. Hierna herzag het Uwv op 31 maart 2005 de

WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 juni 2005 naar de klasse 55 tot 65%.

4. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke in een rapport van 2 augustus 2005 onder andere aan de hand van het dagverhaal geconcludeerd dat iedere medische onderbouwing ontbreekt voor een urenbeperking als door Holwerda gesteld. Voor het overige onderschreef Fokke het onderzoek en de conclusies van Holwerda. Fokke wijzigde de door Holwerda opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in die zin dat de urenbeperking werd geschrapt. In deze FML is voorts in rubriek 4 “Dynamische handelingen” bij het onderdeel 4.23 “Overige beperkingen van het dynamisch handelen” als toelichting vermeld “alle duur belasting is beperkt”. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek in de bezwaarprocedure na een nieuwe functieduiding vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op

1 juni 2005 55 tot 65% bleef en per een toekomstige datum minder dan 15% bedroeg. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld maakte appellante op 1 december 2005 haar bezwaren tegen de voorgenomen besluitvorming kenbaar, waarna het Uwv bij besluit van 19 januari 2006 het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2005 ongegrond verklaarde en overeenkomstig het arbeidskundig onderzoek een beslissing nam met dien verstande dat de WAO-uitkering met ingang van 22 januari 2006 werd ingetrokken.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 19 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

5.2. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd aangegeven waarom zij de visie van Fokke dat geen urenbeperking diende te worden gesteld, kon onderschrijven. Het in beroep door appellante overgelegde rapport van de verzekeringsarts M.A. Kok van 15 december 2005, waarin werd gesteld dat in eerste instantie maximaal twee uur per dag arbeid mogelijk was onder goede ergonomische omstandigheden, werd door de rechtbank niet gevolgd onder andere omdat daarin niet was aangegeven op welke grond de Standaard Verminderde Arbeidsduur had moeten worden toegepast.

5.3. De rechtbank concludeerde ten slotte dat haar niet gebleken was dat de geduide functies de arbeidsmogelijkheden van appellante te boven gingen of anderszins niet geschikt voor haar te achten waren.

6. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante, onder verwijzing naar het in 5.2 vermelde rapport van Kok, naar voren gebracht dat de bezwaarverzekeringsarts haar beperkingen onjuist heeft ingeschat en dat het standpunt wordt gehandhaafd dat appellante tenminste voor 55 tot 65% ongewijzigd arbeidsongeschikt had dienen te worden geacht.

7.1. De Raad stelt voorop dat hij uit het hoger beroepschrift van appellante en de beantwoording van de in rubriek I van deze uitspraak vermelde vraagstelling, bezien mede in het licht van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 25 juli 2006, waarin is vermeld dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen de klasse 55 tot 65%, niet anders afleidt dan dat appellante alleen bezwaar heeft tegen de aangevallen uitspraak voorzover deze ziet op de intrekking bij het bestreden besluit van de WAO-uitkering met ingang van 22 januari 2006.

7.2. De Raad stelt voorop dat hij in het hoger beroepschrift van appellante, waarbij geen nadere medische gegevens zijn gevoegd ter onderbouwing van haar standpunt, geen aanknopingspunten heeft gezien om het laten vervallen van de door Holwerda gestelde urenbeperking onjuist te achten.

7.3.1. De Raad overweegt wat betreft de FML voor het overige dat hij - kort gezegd - naar aanleiding van de in overweging 4 vermelde toelichting op het onderdeel 4.23 een vraagstelling heeft doen uitgaan naar de betekenis, mede in samenhang met rubriek 5, daarvan. Voorts heeft de Raad vragen gesteld over de tilbelasting in het licht van de sterke beperking op het onderdeel tillen (4.14) en de beperking op het onderdeel frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk (4.15).

7.3.2. De beantwoording van de gestelde vragen van de zijde van het Uwv heeft de Raad, ook na een nadere vraagstelling, niet kunnen overtuigen van de juistheid, althans inzichtelijkheid daarvan.

7.3.3. De Raad wijst er in dit verband in de eerste plaats op dat de gemachtigde van het Uwv ook ter zitting niet heeft kunnen verhelderen wat precies dient te worden begrepen onder het in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Huisman van 23 juli 2008 vermelde en toegelichte onderscheid tussen fysieke/biomechanische duurbelasting en fysiologische duurbelasting, welk onderscheid dan wel termen worden gebezigd in de Addenda op de Notities Functiebelasting. Voorts ziet de Raad niet in hoe, zoals in het rapport van bezwaarverzekeringsarts Van Leeuwen van 22 juli 2008 is gesteld, de sterke beperking van tillen tot ongeveer 1 kg. in het verlengde kan worden geacht te zijn gelegen van de beperking tot het ongeveer 150 maal per uur hanteren van voorwerpen van ruim 1 kg. Dit geldt te meer, nu in het Resultaat functiebeoordeling van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies de tilbelasting in de onderdelen 4.14, 4.15 en 4.16, zoals al was opgemerkt in de vraagstelling aan het Uwv van 7 juli 2008, steeds vrijwel gelijk is omschreven. Verder kan er niet aan worden voorbijgezien dat, gezien het feit dat in dit rapport de betekenis van het begrip “lang” in de toelichting bij onderdeel 4.23 afhankelijk wordt gesteld van de betreffende bezigheid, dit begrip in feite dermate onbepaald is dat niet langer kan worden gesproken van een toetsbare en controleerbare beperking. In dit verband wijst de Raad er bijvoorbeeld op dat niet is verhelderd hoe een beperking van alle duurbelasting samen kan gaan met een score van de normaalwaarde op het onderdeel lopen. Ook heeft de Raad uit de beantwoording van het Uwv op de (nadere) vraagstelling niet kunnen opmaken waarom in het licht van de toelichting op onderdeel 4.23 niet ook beperkingen zijn gesteld in de rubriek 5 “Statische houdingen”, voor zover deze zien op belastingen die onmiskenbaar mede een duurbelastend effect hebben, zoals bijvoorbeeld zitten of het boven schouderhoogte actief zijn. De omstandigheid dat, zoals in het rapport van Van Leeuwen van 1 december 2008 is aangegeven, bij de beperking op onderdeel 5.9 “Afwisseling van houding” als toelichting is vermeld “afwisselen van zitten en bewegen” verduidelijkt naar het oordeel van de Raad niet hoe het zitten volgens de normaalwaarde zich verhoudt tot een beperkte duurbelasting.

8. Al het overwogene in 7.3.1 tot en met 7.3.3 brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit, voorzover dit betreft de intrekkingsdatum van de onderhavige WAO-uitkering, onvoldoende is gemotiveerd en derhalve is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In zoverre dient het Uwv met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In verband met een en ander kan ook de aangevallen uitspraak niet worden gehandhaafd.

9. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit, voorzover dat betreft de intrekkingsdatum (22 januari 2006) van de WAO-uitkering van appellante;

Bepaalt dat het Uwv in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) E.M. de Bree.

KR