Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI5380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
08-1654 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Nu de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2006 kracht van gewijsde heeft gekregen moet er bij de beoordeling van het thans voorliggende hoger beroep vanuit worden gegaan dat betrokkene in de periode van de data in geding een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat er in die periode, naast de aangetroffen oogst, tenminste één eerdere oogst is geweest. Verder volgt uit die uitspraak dat appellant voor de beoordeling of betrokkene recht had op een WW-uitkering over de in geding zijnde periode schattenderwijs aan de hand van een concreet onderzoek naar het aantal uren dat betrokkene werkzaamheden heeft verricht in de hennepkwekerij moet vaststellen in hoeverre er sprake is geweest van relevant arbeidsurenverlies. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant op onvoldoende wijze gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank om concreet onderzoek te doen naar de omvang van de door betrokkene verrichte werkzaamheden. Appellant heeft dit op zichzelf ook niet weersproken. Reeds hierom kan het hoger beroep niet slagen en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1654 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 februari 2008, 07/2395 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 13 mei 2009.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Plas voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant heeft betrokkene met ingang van 24 maart 2003 een uitkering ingevolge de WW toegekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 35,78. Blijkens een rapport van 29 juni 2005 is op 1 april 2005 in de woning van betrokkene een professionele hennepkwekerij aangetroffen welke vanaf 19 november 2004 zou zijn geëxploiteerd. Appellant heeft hieruit afgeleid dat betrokkene op 8 november 2004 is begonnen met de opbouw van de kwekerij. Op basis van de geschatte opbrengst van de kwekerij en het voor betrokkene geldende minimumloon is appellant tot de conclusie gekomen dat betrokkene op 8 november 2004 volledig werkzaam was in de kwekerij en met ingang van die dag het werknemerschap heeft verloren.

2.2. Appellant heeft bij besluiten van 27 juli 2005 de WW-uitkering van betrokkene herzien over de periode van 8 november 2004 tot en met 3 april 2005 en een bedrag van € 3.013,03 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 24 maart 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006, heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 27 juli 2005 ongegrond verklaard.

2.3. De rechtbank heeft op 19 december 2006 uitspraak gedaan op het beroep van betrokkene tegen het besluit van appellant van 24 maart 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006. Naar het oordeel van de rechtbank waren de beschikbare onderzoeksgegevens toereikend voor de conclusie van appellant dat betrokkene in de periode van 8 november 2004 tot 1 april 2005 een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat er in die periode, naast de aangetroffen oogst, tenminste één eerdere oogst is geweest. De rechtbank was echter van oordeel dat appellant, voor de beoordeling of betrokkene recht had op een WW-uitkering over de betreffende periode, concreet onderzoek had moeten doen naar het aantal uren dat betrokkene werkzaamheden heeft verricht en dat zonder een dergelijk onderzoek de omvang van die werkzaamheden niet schattenderwijs kon worden vastgesteld. De rechtbank merkte hierbij op dat een schatting van het aantal gewerkte uren niet kan worden gebaseerd op inkomensgerelateerde gegevens. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van 24 maart 2006, zoals gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006, vernietigd.

Appellant en betrokkene hebben berust in deze uitspraak van de rechtbank.

2.4. Appellant heeft vervolgens nader onderzoek ingesteld naar het aantal uren dat betrokkene werkzaamheden heeft verricht in de hennepkwekerij. Appellant heeft daarvoor telefonisch aan functionarissen van de betrokken elektriciteitsmaatschappij en van de belastingdienst die ervaring hebben met de opsporing en vervolging van henneptelers, om informatie gevraagd over de tijdsinvestering bij het opzetten, inrichten en onderhouden van een hennepplantage. Beide functionarissen hebben verklaard dat hun over die tijdsinvestering geen concrete gegevens bekend zijn.

2.5. Bij besluit van 2 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant, opnieuw beslissend op het bezwaar van betrokkene, de intrekking van de WW-uitkering over de periode van 8 november 2004 tot en met 3 april 2005 en de terugvordering van de over die periode onverschuldigd betaalde uitkering gehandhaafd.

2.6. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft dit beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant een concreet onderzoek naar de omvang van de door betrokkene verrichte werkzaamheden achterwege heeft gelaten en daardoor geen gevolg heeft gegeven aan de bij haar in 2.3 genoemde uitspraak gegeven opdracht.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat onduidelijk is gebleven in welke urenomvang betrokkene werkzaam is geweest. Hij meent dat hem niets anders restte dan die omvang schattenderwijs vast te stellen. Appellant acht aannemelijk dat betrokkene als startende ondernemer vanaf 8 november 2004 fulltime met de exploitatie van de hennepkwekerij bezig is geweest.

3.2. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens hem kan op eenvoudige wijze op het internet dan wel in een zogenoemde growshop informatie worden verkregen over de tijd die is gemoeid met het opzetten en in bedrijf houden van een hennepkwekerij. Betrokkene heeft subsidiair naar voren gebracht dat de stelling van appellant dat betrokkene voltijds met de exploitatie van de hennepkwekerij bezig is geweest geen steun vindt in de stukken.

4. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

4.1. Nu de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2006 kracht van gewijsde heeft gekregen moet er bij de beoordeling van het thans voorliggende hoger beroep vanuit worden gegaan dat betrokkene in de periode van 8 november 2004 tot en met 1 april 2005 een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat er in die periode, naast de aangetroffen oogst, tenminste één eerdere oogst is geweest. Verder volgt uit die uitspraak dat appellant voor de beoordeling of betrokkene recht had op een WW-uitkering over de in geding zijnde periode schattenderwijs aan de hand van een concreet onderzoek naar het aantal uren dat betrokkene werkzaamheden heeft verricht in de hennepkwekerij moet vaststellen in hoeverre er sprake is geweest van relevant arbeidsurenverlies.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant op onvoldoende wijze gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank om concreet onderzoek te doen naar de omvang van de door betrokkene verrichte werkzaamheden. Appellant heeft dit op zichzelf ook niet weersproken. Reeds hierom kan het hoger beroep niet slagen en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

4.3. De Raad voegt aan het vorenstaande toe dat appellant alsnog het bedoelde onderzoek zal moeten verrichten. Daarbij zal appellant ook moeten betrekken de verklaringen van betrokkene, dat hij nooit meer dan 3 uur per week werkzaam is geweest. Gezien hetgeen bekend is geworden over betrokkenes sociale, lichamelijke en geestelijke toestand in de periode in geding is immers niet uit te sluiten dat betrokkene slechts een gering aandeel heeft gehad in de feitelijke opbouw en exploitatie van de hennepkwekerij.

5. Nu het hoger beroep niet slaagt bestaat aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 433,--.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW