Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI5301

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
08-5028 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk niet-ontvankelijk verklaring van ingediende bezwaar in verband met termijnoverschrijding voor het indienen van een bezwaarschrift. Met het gebruik van het woord 'kennelijk' in onderdeel a van artikel 7:3 van de Awb is tot uitdrukking gebracht dat slechts van het horen kan worden afgezien indien in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Daarvan is in dit geval geen sprake. Vernietiging besluit. Onvoldoende aannemelijk geworden dat appellant buiten staat is geweest om, al dan niet met hulp van een kennis, nog tijdens de bezwaartermijn schriftelijk bezwaar in te dienen. Geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5028 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2008, 08/230 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 19 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B.M. Jap Ngie-van Dam, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 25 september 2007 heeft het College de op 16 augustus 2007 ingediende aanvraag van appellant om algemene bijstand op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.

1.2. Bij brief van 4 november 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaarschrift is op 8 november 2007 bij de Dienst Werk en Inkomen binnengekomen. De datum van de stempel op de enveloppe, waarmee het bezwaarschrift is verzonden, is 7 november 2007.

1.3. Bij besluit van 20 december 2007 heeft het College het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College terecht heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en dat het College in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Op grond hiervan heeft naar het oordeel van de rechtbank het College het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk kunnen verklaren en ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb kunnen afzien van het horen van appellant in de bezwaarfase.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Uit het besluit van 20 december 2007 blijkt dat het door appellant ingediende bezwaar in verband met de overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het College de opvatting was toegedaan dat op grond van de door appellant ingezonden stukken niet is gebleken van een omstandigheid waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Op deze grond heeft het College met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb van het horen afgezien.

4.2. De Raad wijst er op dat met het gebruik van het woord 'kennelijk' in onderdeel a van artikel 7:3 van de Awb tot uitdrukking is gebracht dat slechts van het horen kan worden afgezien indien in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Daarvan is, anders dan het College meent, naar het oordeel van de Raad in dit geval geen sprake. Appellant heeft naar aanleiding van vragen van het College over de mogelijke verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding stukken ingezonden waarmee hij heeft willen aantonen dat hij vanwege zijn medische situatie niet eerder in staat was een bezwaarschrift in te dienen. Het College had hierin aanleiding moeten zien om appellant de gelegenheid te bieden deze stelling nader toe te lichten op een hoorzitting, alvorens tot het nemen van het besluit op bezwaar over te gaan.

4.3. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 20 december 2007 wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb vernietigen.

4.4. Wat betreft de ontvankelijkheid van het bezwaar komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.5. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan als vaststaand worden aangenomen dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in dit geval is aangevangen op 26 september 2007 en is geëindigd op 6 november 2007. Het door appellant vanuit Suriname naar een kennis gefaxte bezwaarschrift is na het einde van de termijn door deze kennis in Nederland ter post bezorgd. Dit betekent dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.

4.6. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.7. De Raad overweegt hieromtrent dat uit de overgelegde medische verklaring van de huisarts van appellant, waarin is aangegeven dat appellant niet in staat was om in de bezwaartermijn vanuit Suriname naar Nederland te reizen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat appellant niet in staat was zijn belangen voldoende adequaat te behartigen. De verklaring van de huisarts is daarvoor onvoldoende specifiek. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant een kennis heeft ingeschakeld om gedurende zijn verblijf in Suriname zijn post in Nederland te bewaken. Ter zitting heeft appellant verklaard dat deze kennis het primaire besluit van 25 september 2007 naar het verblijfadres van appellant in Suriname heeft doorgezonden en dat zij met zekere regelmaat telefonisch contact met hem heeft opgenomen gedurende zijn verblijf in Suriname. Op grond van de thans beschikbare gegevens is onvoldoende aannemelijk geworden dat appellant buiten staat is geweest om, al dan niet met hulp van deze kennis, nog tijdens de bezwaartermijn schriftelijk aan het College kenbaar te maken dat hij zich niet kon verenigen met het besluit van 25 september 2007, eventueel met het verzoek om de gronden voor dat bezwaar op een later tijdstip te mogen indienen. Gelet hierop is naar het oordeel van de Raad van verschoonbare termijnoverschrijding hier geen sprake.

4.8. Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 december 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.F. Bandringa en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.E. Giesen.

NK