Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI5261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
04-7283 WAO + 05-4303 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking WAO-uitkering. 2) Weigering (verdere) ZW-uitkering. 3) Op het verslag van de door de Raad ingeschakelde onafhankelijke deskundige heeft het Uwv gereageerd met een nieuw besluit, waarbij alsnog de WAO-uitkering naar 80-100% wordt voortgezet. Vernietiging besluiten 1 en 2. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7283 WAO en 05/4303 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van respectievelijk 22 november 2004, 03/1836 (hierna: aangevallen uitspraak I) en 20 mei 2005, 04/1285 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, in beide gedingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide gedingen plaatsgevonden op 4 april 2007. Namens appellant is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Onzen. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd heeft de psychiater G. Nabarro een schriftelijk verslag van het onderzoek, gedateerd 7 maart 2008, aan de Raad uitgebracht.

Vervolgens heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van 18 juni 2008 ingezonden.

Hierop is namens appellant bij brief van 11 juli 2008 gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Na medisch en arbeidskundig onderzoek is deze uitkering bij besluit van 1 juli 2002 met ingang van 27 augustus 2002 ingetrokken. In dit kader is een aantal functies geselecteerd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van

7 maart 2003 (besluit I) gegrond verklaard. Hierbij is besloten dat appellant op en na 27 augustus 2002 blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% en dat appellant per 1 april 2003 wordt ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15%.

1.3. Op 18 augustus 2003 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving ingevolge de Werkloosheidswet, ziek gemeld. Na medisch onderzoek is hem bij besluit van 9 december 2003 met ingang van 8 december 2003 een (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet geweigerd. Hierbij zijn de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies als maatstaf arbeid gehanteerd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 14 mei 2004 (besluit II) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen respectievelijk besluit I en besluit II bij respectievelijk aangevallen uitspraak I en aangevallen uitspraak II ongegrond verklaard.

04/7283 WAO

3.1. Bij het in rubriek I vermelde besluit van 18 juni 2008 (besluit III) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juli 2002 gegrond verklaard en besloten dat appellant met ingang van 1 april 2003 onveranderd arbeidsongeschikt wordt geacht naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

3.2. In reactie hierop heeft de gemachtigde van appellant aangegeven zich in dit besluit te kunnen vinden. Daarbij is verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in de bestuurlijke en rechterlijke fase.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met besluit III is geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellant. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, wordt het beroep niet geacht mede te zijn gericht tegen

besluit III.

4.2. De Raad stelt allereerst vast dat appellant in verband met de door hem gevraagde schadevergoeding belang heeft bij beoordeling van besluit I. Nu het Uwv met besluit III heeft aangegeven dat besluit I niet juist is, kan besluit I niet in stand blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak I en besluit I vernietigen.

4.3. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009.

4.4. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 4 september 2002 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en zeven maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 4 september 2002 tot het besluit van 7 maart 2003 zes maanden en drie dagen geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 17 april 2003 tot de uitspraak op 22 november 2004 één jaar en ruim zeven maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger-beroepschrift op 28 december 2004 tot deze uitspraak vier jaar en vijf maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden.

4.5. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

05/4303 ZW

5. Gegeven het feit dat besluit I, zoals blijkt uit het onder 3.1 overwogene, niet in stand kan blijven, kan besluit II evenmin in stand blijven. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat besluit II voortborduurt op besluit I. De Raad zal de aangevallen uitspraak II en besluit II eveneens vernietigen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv in beide gedingen te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.415,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken I en II;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten van respectievelijk 7 maart 2003 en 14 mei 2004 gegrond en vernietigt die besluiten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 2.415,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 273,-- vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek in het geding 04/7283 WAO wordt heropend onder de nummers 08/6120 Beslu(SV) en 09/2835 Beslu(SV) ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

TM