Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI5200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
07-2963WAO+07-5978WAO+07-2962ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering WAO-uitkering toe te kennen. 2) Toekenning WAO-uitkering 3) Geen recht meer op ziekengeld. Aangezien het besluit van 23 oktober 2007, dat naar aanleiding van de aangevallen uitspraak is genomen, niet geheel aan het beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht. De Raad evenals de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat om de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Het Uwv heeft zich dan ook volgens de Raad terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een urenbeperking van toepassing te achten. De Raad is van oordeel dat alle gesignaleerde knelpunten en mogelijke overschrijdingen ten aanzien van de overgebleven functies zijn voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering en is van oordeel dat de belasting van deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De grief ten aanzien van de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal kan naar het oordeel van de Raad niet slagen. Evenals de rechtbank verwijst de Raad naar artikel 9, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellante met ingang van 21 december 2004 15 tot 25% arbeidsongeschikt is ingevolge de WAO. Geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat appellante op en na 1 maart 2006 geschikt was voor het verrichten van ten minste één van de geselecteerde functies. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2963 WAO

07/5978 WAO

07/2962 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 6 april 2007, 06/3265 (hierna: aangevallen uitspraak I) en 06/4167 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat te Zaandam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft - gevoegd - plaatsgevonden op 4 maart 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman en in aanwezigheid van tolk A.A.M. Koffrie. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Ritsma.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft vanaf 13 juni 2003 werkzaamheden verricht als inpakster voor gemiddeld 45,1 uur per week in dienst van een uitzendbureau. Op 23 december 2003 heeft zij zich ziek gemeld vanwege lage rugklachten. In aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken op 20 december 2004 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Op 8 juni 2005 heeft appellante zich ziek gemeld vanuit een situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving.

07/2963 WAO en 07/5978 WAO

2.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar aangevallen uitspraak 1.

2.2. In verband met de ziekmelding op 23 december 2003 heeft een verzekeringsarts op 9 februari 2005 de belastbaarheid van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Aan de hand van deze FML heeft een arbeidsdeskundige met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (hierna: CBBS) functies geselecteerd waaruit volgt dat appellante ondanks haar beperkingen een verdienvermogen heeft. Als gevolg van de resterende verdiencapaciteit treedt er volgens de arbeidsdeskundige geen loonverlies op ten opzichte van de maatgevende arbeid van inpakster.

2.3. Door het Uwv is bij besluit van 22 maart 2005 met ingang van 21 december 2004 aan appellante een uitkering ingevolge de WAO geweigerd omdat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

2.4. Bij beslissing op bezwaar van 22 februari 2006 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 maart 2005 door het Uwv ongegrond verklaard.

3. Het beroep van appellante is bij aangevallen uitspraak I gegrond verklaard en het bestreden besluit van 22 februari 2006 is door de rechtbank vernietigd. De maatmanomvang van 45,1 uur per week is naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte gemaximeerd op 38 uur. Aangezien dit volgens de rechtbank geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Het Uwv is door de rechtbank veroordeeld tot het betalen van de gemaakte proceskosten van appellante van € 1.302,46 en het vergoeden van het door appellante betaalde griffierecht van € 38,-.

4. Op 23 oktober 2007 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het bezwaar van appellante wordt alsnog gegrond verklaard, voor zover dit betrekking heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid. Deze wordt met ingang van 21 december 2004 gewijzigd in de klasse van 15 tot 25%. Voor het overige wordt het besluit van 22 februari 2006 door het Uwv gehandhaafd.

5. Appellante kan zich niet verenigen met aangevallen uitspraak I en het besluit van 23 oktober 2007 en handhaaft haar grieven ten aanzien van de medische en arbeidskundige beoordeling.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. Aangezien het besluit van 23 oktober 2007, dat naar aanleiding van de aangevallen uitspraak is genomen, niet geheel aan het beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.

6.3. Ten aanzien van de medische beoordeling is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat om de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Verzekeringsarts D. Dijkman heeft kennis genomen van de brief van psychiater P.C. Blom van 12 november 2004 en heeft in verband met psychische klachten van appellante beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Naar aanleiding van de brief van psychiater Blom van 27 mei 2005, waarin een ernstiger beeld werd beschreven dan in de brief van 12 november 2004, heeft bezwaarverzekeringsarts P.F. Klein Obbink een expertise laten verrichten door zenuwarts C.J.F. Kemperman. Deze heeft appellante onderzocht en heeft op 12 januari 2006 een rapport uitgebracht. Volgens Kemperman is er sprake van een omvangrijke psychosociale problematiek bij een vrouw met een aanpassingsstoornis met dysthym en somatiserend aspect. Indien rekening wordt gehouden met haar beperkingen is er volgens Kemperman geen aanleiding om appellante ongeschikt te achten voor arbeid. Bezwaarverzekeringsarts J.A. Bos-Zijlstra heeft naar aanleiding van de rapportage van Kemperman en het ontbreken van medisch objectiveerbare gegevens die de lichamelijke klachten van appellante verklaren, geen aanleiding gezien om de FML van 9 februari 2005 aan te passen en heeft de FML op 13 februari 2006 ongewijzigd overgenomen. Er is naar het oordeel van de Raad geen aanleiding om de naar aanleiding van de rapportage van Kemperman getrokken conclusie van de verzekeringsartsen met betrekking tot de vastgestelde belastbaarheid niet te volgen. De door Kemperman aangegeven beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren komen overeen met die in de FML van 13 februari 2006. Ook ten aanzien van de lichamelijke klachten is naar het oordeel van de Raad niet met medische gegevens onderbouwd dat appellante meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen weergegeven in de FML. Het Uwv heeft zich dan ook volgens de Raad terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een urenbeperking van toepassing te achten.

6.4.1. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling overweegt de Raad als volgt. Bezwaararbeidsdeskundige C. Wouters heeft op 16 februari 2006 een aantal functies laten vervallen omdat deze niet voldoen aan de eis van volledig voorgestructureerd werk, waarna de functies productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), wasserijmedewerker (Sbc-code 272020) en sorteerder, controleur (Sbc-code 111340) resteren. De Raad is van oordeel dat in de rapportages van bezwaararbeidsdeskundige Wouters van 16 februari 2006 en bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans van

9 januari 2009 alle gesignaleerde knelpunten en mogelijke overschrijdingen ten aanzien van de overgebleven functies zijn voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering en is van oordeel dat de belasting van deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

6.4.2. Ook de grief ten aanzien van de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal kan naar het oordeel van de Raad niet slagen. Evenals de rechtbank verwijst de Raad naar artikel 9, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Appellante woont sinds 1996 in Nederland, zij heeft een Nederlandse taalcursus gevolgd en heeft werkervaring opgedaan in Nederland. Volgens de functieomschrijvingen ontvangt appellante mondelinge werkinstructies. Alleen bij de functie sorteerder, controleur moet er volgens de functieomschrijving rekening worden gehouden met geschreven veiligheidsvoorschriften. In de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Wouters van 26 juni 2007 is echter aangegeven dat deze veiligheidsinstructies ook mondeling kunnen worden gegeven. Bovendien heeft de Raad in meerdere uitspraken overwogen dat iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat kan worden geacht eenvoudige productiematige functies te vervullen, nu in dergelijke functies ter zake van deze aspecten in het algemeen zeer beperkte eisen worden gesteld. Uit de rapportages van de arbeidsdeskundigen en de functieomschrijvingen blijkt volgens de Raad dat de onderhavige geselecteerde functies kunnen worden aangemerkt als eenvoudige productiematige functies.

6.4.3. Op basis van de overgebleven functies heeft het Uwv in het besluit van 23 oktober 2007 naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat appellante met ingang van 21 december 2004 15 tot 25% arbeidsongeschikt is ingevolge de WAO.

6.5. Uit hetgeen onder 6.2 tot en met 6.4 is overwogen volgt dat aangevallen uitspraak I, voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 22 februari 2006 in stand zijn gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2007 ongegrond wordt verklaard.

07/2962 ZW

7.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar aangevallen uitspraak II. De Raad volstaat met het volgende.

7.2. Appellante heeft zich op 8 juni 2005 ziekgemeld. Op dat moment ontving zij een WW-uitkering. Verzekeringsarts P.M. van der Gugten heeft aanleiding gezien om de rapportage van zenuwarts Kemperman van 12 januari 2006 in het kader van de WAO-beoordeling af te wachten.

8.1. Bij besluit van 27 februari 2006 is op basis van het rapport van Van der Gugten van dezelfde datum aan appellante meegedeeld dat zij op en na 1 maart 2006 niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid en dat zij per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld. Als haar arbeid worden door het Uwv in aanmerking genomen de geselecteerde functies ingevolge de WAO.

8.2. Bij beslissing op bezwaar van 30 maart 2006 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 februari 2006 door het Uwv ongegrond verklaard.

9. De rechtbank heeft het beroep van appellante bij aangevallen uitspraak II ongegrond verklaard.

10. Appellante kan zich niet met aangevallen uitspraak II verenigen en stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij niet in staat is om de geselecteerde functies te verrichten. Daartoe heeft zij aangevoerd dat er sprake is van nieuwe klachten. Zij ondervindt gezondheidsklachten als gevolg van een slecht werkende schildklier en deze klachten leiden tot vermoeidheid en andere beperkingen. Daarnaast is er volgens appellante sprake van inspanningsgebonden pijn op de borstkas en brengt haar gewichtstoename in combinatie met de bovenstaande klachten beperkingen met zich mee. Ten slotte stelt appellante zich op het standpunt dat het Uwv ten onrechte de omvang van de maatmanfunctie (45,1 uur per week) bij de beoordeling achterwege heeft gelaten.

11.1. De Raad overweegt als volgt.

11.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en voor zijn ziekmelding niet in enig werk heeft hervat, onder "zijn arbeid" in de zin van artikel 19 van de Ziektewet (ZW) verstaan gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering ingevolge de WAO in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Onder zijn arbeid moet in deze zaak worden uitgegaan van de in deze uitspraak in overweging 6.4.1 vermelde functies productiemedewerker industrie, wasserijmedewerker en sorteerder, controleur. Bij de onderhavige ZW-beoordeling is het volgens de jurisprudentie van de Raad voldoende dat appellante geschikt wordt geacht voor één van deze functies.

11.3. De Raad ziet in hetgeen door appellante naar voren is gebracht geen aanleiding het oordeel van de rechtbank niet te volgen en het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Verzekeringsarts Van der Gugten heeft de rapportage van zenuwarts Kemperman afgewacht. Bezwaarverzekeringsarts G.A.C.G. Durlinger heeft de informatie van internist-endocrinoloog M.J.M. Serlie van 7 februari 2006 bij zijn beoordeling betrokken en heeft appellante op het spreekuur van 24 maart 2006 onderzocht. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is er sprake van een lichte vorm van hypothyreoïdie en levert deze stoornis beperkingen op ten aanzien van energetisch belastende arbeid en het werken onder tijdsdruk. Deze beperkingen staan niet aan de geschiktheid voor de werkzaamheden van de uiteindelijk geselecteerde functies in de weg. Ten aanzien van de psychische klachten is door de verzekeringsartsen verwezen naar de rapportage van zenuwarts Kemperman. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante niet met medische stukken heeft onderbouwd dat zich dusdanige medisch objectiveerbare wijzigingen hebben voorgedaan in haar lichamelijke of psychische gesteldheid dat zij op de datum in geding niet geschikt is te achten voor ten minste één van de bedoelde functies.

11.4. Uit hetgeen is overwogen onder 11.2 en 11.3 volgt dat de Raad evenals de rechtbank van oordeel is dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat appellante op en na 1 maart 2006 geschikt was voor het verrichten van ten minste één van de geselecteerde functies. De Raad zal aangevallen uitspraak II dan ook bevestigen.

12. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv in het geding met de nummers 07/2963 WAO en 07/5978 WAO te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak I, voor zover de rechtsgevolgen van vernietigde besluit van 22 februari 2006 in stand zijn gelaten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2007 ongegrond;

Bevestigt aangevallen uitspraak II;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in het geding met de nummers 07/2963 WAO en 07/5978 WAO in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in het geding met de nummers 07/2963 WAO en 07/5978 WAO betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.W.J. Schoor en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL