Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI5036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
06-4125 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. Juiste vaststelling medische beperkingen. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Nu echter een als afdoende aan te merken toelichting op de geselecteerde functies ontbrak –die is eerst in de fase van het hoger beroep verstrekt–, had het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand mogen worden gelaten. De uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. De rechtsgevolgen worden in stand gelaten. Niet is gebleken dat bij appellante sprake is van een uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om de Nederlandse taal aan te leren. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4125 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 juni 2006, 05/5276 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Linares Fandino, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 maart 2007, waarbij is gevoegd de rapportage van 6 maart 2007 van een bezwaararbeidsdeskundige, heeft het Uwv een nadere motivering van de belastbaarheid van de geselecteerde functies gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is sedert 1998 in Nederland. Vanaf 14 oktober 1999 was zij werkzaam als productiemedewerker van een kippenslachterij voor 38 uren per week. Op 11 december 2000 is zij voor dat werk uitgevallen met psychische klachten. Met ingang van 10 december 2001 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In 2005 heeft in het kader van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 (hierna: Schattingsbesluit 2004) verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid. Bij besluit van 26 april 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 26 juni 2005 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%.

1.3. Bij besluit van 8 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 26 april 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van de verzekeringsarts van 31 maart 2005 en 27 april 2005 en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 september 2005 er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 26 juni 2005. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van de brief van de psychiater R.W. Jessurun van 23 april 2005 en op inzichtelijke en uitgebreide wijze heeft gemotiveerd waarom er geen reden bestaat om af te wijken van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, met uitzondering van de aanpassing dat het niet is aangewezen om appellante in verband met de gebruikte medicatie en de niet optimale concentratie bloot te stellen aan persoonlijk risico.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vastgesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige naar aanleiding van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts een aantal functies heeft geschrapt in verband met de aanpassing van de beperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat de resterende functies in medisch opzicht voor appellante passend zijn. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat met betrekking tot opleidingsniveau en mondelinge beheersing van de Nederlandse taal er voldoende voor appellante geschikte functies zijn geduid.

3. Appellante heeft in hoger beroep volhard in haar standpunt dat bij de vaststelling van haar medische beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten. Zij meent daarom niet geschikt te zijn voor de voorgehouden functies. Zij heeft voorts herhaald dat zij geen basisonderwijs heeft doorlopen en de Nederlandse taal niet machtig is, zodat zij ook om die reden niet in staat is de werkzaamheden in de geduide functies te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellante bestaande medische beperkingen en haar belastbaarheid voor arbeid ten tijde hier in geding. Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen ook in beroep werd betoogd met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit en is, zoals uit het voorgaande volgt, op goede gronden door de rechtbank weerlegd. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep ter ondersteuning van haar standpunt een medisch stuk in het geding gebracht dat een ander licht zou kunnen werpen op de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Gelet op de nadere in hoger beroep overgelegde, in rubriek I vermelde, rapportage van 6 maart 2007 van een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv acht de Raad de in die functies voorkomende markeringen afdoende toegelicht.

4.3. Nu echter een als afdoende aan te merken toelichting op de geselecteerde functies ontbrak –die is eerst in de fase van het hoger beroep verstrekt–, had het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand mogen worden gelaten. De uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet op hetgeen verder in deze uitspraak wordt overwogen bestaat er aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

4.4. Volgens artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 wordt bij de bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen in aanmerking genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen, waaronder mede wordt begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, tenzij betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als gevolg van ziekte of gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Onder deze bekwaamheden worden tenminste verstaan de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal.

4.5. Aangezien niet is gebleken dat bij appellante sprake is van een uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om de Nederlandse taal aan te leren, onderschrijft de Raad dan ook niet haar stelling dat, nu zij de Nederlandse taal niet beheerst, zij niet in staat is (een voldoende aantal van) de geselecteerde functies te vervullen. Blijkens de formulieren Resultaat Functiebeoordeling betreft het merendeel van de functies eenvoudige en routinematige arbeid volgens een vast patroon met mondelinge opdrachten en eenvoudige schriftelijke instructies. Appellante moet voor deze functies geschikt worden geacht.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht, in totaal € 142,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG