Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
07-5737 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv in de FML van de datum in geding vastgestelde belastbaarheid van appellant. De Raad ziet in het deskundigenoordeel geen aanleiding voor het aannemen van een urenbeperking. De Raad ziet, aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid en gelet op de arbeidskundige rapportages van de data in geding, evenmin grond voor het oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. Geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij. Schending redelijke termijn door de rechtbank. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist over het verzoek om schadevergoeding van appellant met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5737 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2007, 04/790 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 15 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J. Jacobs, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend alsmede een rapport van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 18 december 2007.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv bij brief van 8 december 2008 een rapport van bezwaarverzekeringsarts Koek van 4 december 2008 ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn daarbij met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 12 september 1997 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet wegens griepklachten en restklachten van een verkeersongeval in 1992 en psychische klachten. Daarvoor was appellant werkzaam geweest als magazijnmedewerker voor 36 uur per week.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd werd aan appellant met ingang van

11 september 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 11 november 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 4 januari 2004 ingetrokken onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.4. Bij besluit van 23 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 november 2003 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft aanleiding gezien de psychiater H.N. Dijkstra als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft op 27 juni 2005 aan de rechtbank gerapporteerd. Naar aanleiding van het deskundigenrapport heeft bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek op 19 september 2005 de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast waarna bezwaararbeidsdeskundige M.A. Oudenaller de passendheid van de geduide functies opnieuw heeft beoordeeld. In het rapport van 20 september 2005 heeft Oudenaller geconcludeerd dat één van de geduide functies komt te vervallen, maar dat dit geen gevolgen heeft voor de schatting. Op 20 februari 2006 heeft de rechtbank in een nieuwe vraagstelling aan de deskundige verzocht om aan te geven of hij kan instemmen met de resultaten van het voornoemde nadere medische en arbeidskundige onderzoek. Bij brief van 30 mei 2006 heeft de deskundige de nieuwe vraagstelling van de rechtbank beantwoord. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts Koek op 26 juni 2006 de FML op de door de deskundige genoemde items nader aangepast.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de laatstelijk aangepaste FML van 26 juni 2006. Tevens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige voor onjuist te houden. Nu de FML in de beroepsprocedure nog is aangepast, heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit heeft de rechtbank vervolgens geheel in stand gelaten, nu het besluit naar het oordeel van de rechtbank zowel op een voldoende medische als arbeidskundige grondslag berust. Ten aanzien van laatstbedoelde grondslag heeft de rechtbank, gelet op de arbeidskundige rapportages van

17 november 2004, 20 september 2005 en 10 juli 2006, in aanvulling op het verslag van het overleg tussen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van 3 november 2003, geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant ongeschikt te achten.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het deskundigenoordeel niet op correcte wijze is verwerkt in de FML van 26 juni 2006. Appellant is van mening dat er - gelet op het deskundigenoordeel - ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen op de items inzicht in eigen kunnen, doelmatig handelen, zelfstandig handelen, handelingstempo, eigen gevoelens uiten en samenwerken. Nu de beperkingen niet juist zijn vastgesteld, met name wat betreft het item handelingstempo, zijn de geduide functies evenmin geschikt te achten voor appellant. Tevens impliceert het deskundigenrapport volgens appellant dat er een urenbeperking aangenomen dient te worden van 20 tot 25 uur per week.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Gelet op het deskundigenrapport van 27 juni 2005 en de nadere reactie van de deskundige van 30 mei 2006 ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv in de FML van 26 juni 2006 vastgestelde belastbaarheid van appellant. Daartoe overweegt de Raad dat de deskundige, in antwoord op de nieuwe vraagstelling van de rechtbank, bij brief van 30 mei 2006 expliciet heeft aangegeven dat hij zich kan verenigen met de FML van 19 september 2005, behalve wat betreft de items concentreren, verdelen van de aandacht en herinneren. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts Koek in navolging van het advies van de deskundige op

26 juni 2006 de FML op deze items nader aangepast.

4.2.2. Voorts ziet de Raad in het deskundigenoordeel geen aanleiding voor het aannemen van een urenbeperking. Weliswaar heeft de deskundige in zijn rapport van 27 juni 2005 de opmerking geplaatst dat ‘gedacht kan worden aan 3 tot 4 uur per dag ongeschikt voor werkzaamheden op zijn niveau’, maar dit standpunt is door de deskundige niet onderbouwd. Tevens is de deskundige hierop niet meer teruggekomen in zijn beantwoording van de nieuwe vraagstelling van de rechtbank. In het rapport van 15 september 2005 heeft bezwaarverzekeringsarts Koek overtuigend gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen. Met deze bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellant al jaren uit het arbeidsproces is geweest op zich genomen geen rol mag spelen bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Indien rekening wordt gehouden met de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 26 juni 2006 ziet de Raad - evenals de bezwaarverzekeringsarts - geen aanleiding om daarnaast nog een urenbeperking aan te nemen.

4.3. De Raad ziet, aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid en gelet op de arbeidskundige rapportages van 20 september 2005 en 10 juli 2006, evenmin grond voor het oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te weten: voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zijn gelaten, dient te worden bevestigd.

4.5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

5.1. Wat betreft het verzoek van appellant om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de Raad als volgt.

5.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, gepubliceerd in AB 2001, 86, en het arrest van

29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, zaak nr. 62361/00, gepubliceerd in JB 2006, 134).

5.3. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 7 december 2003 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn ruim vijf en een half jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna drie maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 23 april 2004 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank bijna drieënhalf jaar geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 9 oktober 2007 van het hoger beroepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak nog geen twee jaar geduurd. Aan deze vaststellingen kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de rechtbank.

5.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek om schadevergoeding van appellant met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 09/2578 ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

TM