Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
07-7065 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat appellant op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 10. Aan de maximering van de resterende verdiencapaciteit, zoals weergegeven in het derde lid, wordt pas toegekomen als de resterende verdiencapaciteit hoger is dan het maatmanloon. Daarvan is, zoals appellant in het hoger beroepschrift heeft uiteengezet, in dit geval geen sprake. De Raad is voorts van oordeel dat appellant niet gehouden was nader te motiveren dat betrokkene in staat is functies te vervullen in een urenomvang die de normaalwaarde in betekenende mate overschrijdt, reeds omdat in de geduide functies de normaalwaarde niet wordt overschreden. Het hoger beroep slaagt derhalve. Aangezien de rechtbank de overige grieven van betrokkene tegen het bestreden besluit niet heeft beoordeeld en de Raad van oordeel is dat hij de zaak zonder terugwijzing kan afdoen, zal de Raad die grieven thans beoordelen. Het door de deskundige verrichte onderzoek is volledig en zorgvuldig.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7065 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 november 2007, 05/823

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 8 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2009. Appellant was vertegenwoordigd door mr. A. Ruis. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur gedurende 51,38 uur per week. Hij ontvangt vanaf 10 januari 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. Bij besluit van 2 februari 2005 is deze uitkering ingetrokken met ingang van 3 april 2005.

1.3. Bij besluit van 4 april 2007 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2005 gegrond verklaard en is de uitkering van betrokkene ingaande 3 april 2005 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene dient te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant niet heeft onderbouwd dat betrokkene geschikt is te achten om te werken in een urenomvang die de normaalwaarde in betekenende mate overschrijdt. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant niet zonder nader motivering voorbij kunnen gaan aan hetgeen in artikel 10 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheids-wetten 2004 is bepaald omtrent de maximering van de resterende verdiencapaciteit. De rechtbank heeft de overige grieven van betrokkene onbesproken gelaten.

3. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat de schatting in overeenstemming is met artikel 10 van het Schattingsbesluit. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is in rubriek 6 bij werktijden alleen opgenomen dat betrokkene niet ‘s- nachts kan werken. Andere beperkingen zijn in deze rubriek niet opgenomen hetgeen betekent dat betrokkene gemiddeld ten minste 8 uur per dag en 40 uur per week kan werken. De geduide functies zijn hiermee in overeenstemming. Voorts is de beloning per uur in alle geduide functies lager dan het maatmanloon zodat niet wordt toegekomen aan de bepaling omtrent de maximering van de resterende verdiencapaciteit.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 10, derde lid, van het Schattingsbesluit – voorzover hier van

belang – wordt indien het inkomen per uur, dat betrokkene met arbeid kan verdienen, meer bedraagt dan zijn maatmaninkomen per uur, de resterende verdiencapaciteit niet hoger gesteld dan zijn maatmaninkomen per uur.

4.3. De Raad is van oordeel dat appellant op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 10. Aan de maximering van de resterende verdiencapaciteit, zoals weergegeven in het derde lid, wordt pas toegekomen als de resterende verdiencapaciteit hoger is dan het maatmanloon. Daarvan is, zoals appellant in het hoger beroepschrift heeft uiteengezet, in dit geval geen sprake.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat appellant niet gehouden was nader te motiveren dat betrokkene in staat is functies te vervullen in een urenomvang die de normaalwaarde in betekenende mate overschrijdt, reeds omdat in de geduide functies de normaalwaarde niet wordt overschreden.

4.5. Het hoger beroep slaagt derhalve. Aangezien de rechtbank de overige grieven van betrokkene tegen het bestreden besluit niet heeft beoordeeld en de Raad van oordeel is dat hij de zaak zonder terugwijzing kan afdoen, zal de Raad die grieven thans beoordelen.

5.1. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat hij veel klachten heeft. Hij is van mening dat hij meer beperkingen heeft dan waarvan appellant is uitgegaan. Hij mag niet meer auto rijden omdat zijn diabetes ontregeld is, dus de geduide functie van chauffeur kan hij niet uitoefenen.

5.2. De rechtbank heeft de internist F.L. van Nierop verzocht van verslag en advies te dienen met betrekking tot de gezondheidssituatie van betrokkene op de datum in geding, 3 april 2005. Deze deskundige heeft op 20 februari 2007 gerapporteerd. Betrokkene lijdt volgens hem aan ernstige adipositas met als gevolg suikerziekte, een slaap-apnoe syndroom en overbelasting van het bewegingsapparaat; voorts een niet erg uitgesproken carpaal tunnel syndroom. De deskundige is het niet helemaal eens met de FML. Hij meent dat betrokkene ook beperkt is op item 2.8 (conflicthantering) in verband met woede-uitbarstingen en niet ’s-nachts kan werken. De deskundige is van mening dat betrokkene de functies met SBC-codes 268020, 282101 en 111190 kan verrichten; de functie met SBC-code 264121 is alleen mogelijk zonder nachtdiensten.

5.3. Naar aanleiding van dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts op het punt van

’s-nachts werken de FML aangepast. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 2 april 2007 gerapporteerd en de functies inpakker (SBC-code 111190), chauffeur bijzonder vervoer (282101) en machinaal metaalbehandelaar (264121) als geschikte functies voor betrokkene gehandhaafd. In de laatste SBC-code is de functie met nummer 3332-0002-085 vervangen door de functie met nummer 3402-0081-002 aangezien in laatstgenoemde functie geen nachtdiensten voorkomen. In de functies komt geen belasting voor op het item conflicthantering.

5.4. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Het door de deskundige verrichte onderzoek is volledig en zorgvuldig. Bovendien heeft betrokkene noch in beroep noch in hoger beroep nadere, van (behandelend) artsen afkomstige, medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding.

5.5. De stelling van betrokkene dat hij vanwege de weigering van de verklaring van rijgeschiktheid de functie van chauffeur niet kan verrichten slaagt niet. De deskundige acht betrokkene in staat die functie op de datum in geding uit te oefenen en de weigering van de verklaring van geschiktheid dateert van 26 oktober 2005, ruim een half jaar na de datum in geding.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover deze is aangevochten. De Raad zal voorts, doende wat de rechtbank had horen te doen, het inleidende beroep ongegrond verklaren.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

GdJ