Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4872

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
07-7192 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlening eervol ontslag met toepassing van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO Academische Ziekenhuizen. De Raad is van oordeel dat sprake was van onherstelbaar verstoorde verhoudingen. De ontkenning hiervan door appellante komt de Raad niet geloofwaardig voor, nu zij ten tijde van haar ziekmelding al heeft aangegeven geen vertrouwen te hebben in R en ook tegenover HSK opnieuw haar twijfels over R heeft geuit. Daarnaast heeft appellante stelselmatig geweigerd om mee te werken aan een oplossing voor de ontstane situatie. Alle voorstellen en inspanningen van de werkgever om een andere werkplek voor haar te vinden heeft zij afgewezen met het argument dat zij niet de oorzaak van de ontstane problemen was en haar werkzaamheden wilde hervatten. De Raad ziet in de stukken verder geen steun voor het standpunt van appellante dat het ontslag vooral is ingegeven door het feit dat zij in november 2001 een klacht heeft ingediend. Niet gezegd kan worden dat het bestuur niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7192 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 november 2007, 07/996 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 14 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2009. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat te ’s-Gravenhage. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. van der Tas en dr. P.S. Roos, beiden werkzaam bij het Erasmus Medisch Centrum.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

2. Appellante is op 1 oktober 1992 als [naam functie 1] in dienst getreden van de rechtsvoorganger van het Erasmus Medisch Centrum (hierna: werkgever). Met ingang van februari 2000 is zij [naam functie 2] geworden. Appellante heeft zich op 23 oktober 2001 ziek gemeld. Met ingang van 14 januari 2002 is zij hersteld verklaard. Appellante heeft sindsdien geen werkzaamheden meer verricht. Bij besluit verzonden op 7 oktober 2004 heeft het bestuur appellante met toepassing van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO Academische Ziekenhuizen eervol ontslag “op andere gronden” verleend met ingang van 1 december 2004. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 14 december 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat voor een ontslag op andere gronden geen aanleiding bestond, omdat er voldoende mogelijkheden waren voor het hervatten van haar werkzaamheden na de periode van ziekte. Het ligt volgens haar aan de onverzoenlijke opstelling van haar toenmalige leidinggevende (R) dat werkhervatting uiteindelijk niet mogelijk is gebleken.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Vaststaat dat er grote problemen waren op de [afdeling] toen appellante daar in februari 2000 kwam. Deze problemen hebben ertoe geleid dat appellante zich op 23 oktober 2001 heeft ziek gemeld. Op 22 november 2001 heeft appellante een klacht ingediend over de voor haar onhoudbare werksituatie, waarvoor zij R grotendeels verantwoordelijk hield. De klacht is door de klachtenbehandelaar gegrond verklaard.

5.2. Nadat appellante weer arbeidsgeschikt was verklaard heeft een gesprek over hervatting van haar werkzaamheden plaatsgevonden. Daarbij is door R naar voren gebracht dat de collega’s van appellante bij de [afdeling] hebben aangegeven dat zij geen ruimte zien voor een hernieuwde samenwerking met appellante, gezien de negatieve werksfeer die zij in het verleden door houding en optreden heeft opgeroepen. Verder heeft R aangegeven dat de leidinggevenden van twee andere afdelingen te kennen hebben gegeven appellante niet tewerk te willen stellen vanwege negatieve ervaringen met haar in het verleden.

5.3. De werkgever heeft getracht appellante over te plaatsen en via het Loopbaancentrum te herplaatsen. Voor appellante was dit onaanvaardbaar. Zij wilde hervatten in haar functie op de [afdeling] en was niet bereid mee te werken aan overplaatsing of herplaatsing. Appellante heeft een besluit waarbij zij werd overgeplaatst naar een niet nader bepaalde functie met succes aangevochten. Inmiddels had het waarnemend hoofd van de [afdeling] er in een brief van 13 juni 2003 op aangedrongen appellante niet te laten terugkeren naar de [afdeling], omdat dat zou leiden tot verstoring van het inmiddels verbeterde werkklimaat en omdat hij vreesde dat appellante een demotiverende invloed zou uitoefenen op de medewerkers binnen de [afdeling]. De werkgever heeft hierna appellante het aanbod gedaan om een stage te gaan lopen bij de directie Financiën. Appellante heeft dit aanbod niet aanvaard. Vervolgens heeft het bestuur een extern bureau (HSK) opdracht gegeven om te onderzoeken wat de aard en de ernst is van het arbeidsconflict tussen leidinggevende en appellante, of het in redelijkheid mogelijk is haar te laten terugkeren naar haar oude werkplek en, zo ja, op welke wijze die terugkeer gerealiseerd en begeleid kan worden. Bij brief van 5 december 2003 heeft HSK gerapporteerd geen basis te zien voor een constructieve en vruchtbare samenwerking tussen betrokken partijen. Toen ook hierna met appellante gevoerde gesprekken over haar herplaatsing niet tot resultaat leidden is het bestuur ertoe overgegaan appellante ontslag op andere gronden te verlenen.

5.4. De Raad is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven gang van zaken niet anders kan worden afgeleid dan dat sprake was van onherstelbaar verstoorde verhoudingen. De ontkenning hiervan door appellante komt de Raad niet geloofwaardig voor, nu zij ten tijde van haar ziekmelding al heeft aangegeven geen vertrouwen te hebben in R en ook tegenover HSK opnieuw haar twijfels over R heeft geuit. Daarnaast heeft appellante stelselmatig geweigerd om mee te werken aan een oplossing voor de ontstane situatie. Alle voorstellen en inspanningen van de werkgever om een andere werkplek voor haar te vinden heeft zij afgewezen met het argument dat zij niet de oorzaak van de ontstane problemen was en haar werkzaamheden op de [afdeling] wilde hervatten. De Raad ziet in de stukken verder geen steun voor het standpunt van appellante dat het ontslag vooral is ingegeven door het feit dat zij in november 2001 een klacht heeft ingediend.

5.5. Onder deze omstandigheden komt de Raad tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat het bestuur niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

6. Het vorenstaande leidt tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.

7. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.