Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
07-7142 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is ten onrechte niet meer in aanmerking gebracht voor een inconveniëntentoeslag (MRI toeslag). De MRI waardering, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de uitvoerende taken, heeft al geleid tot een score van 7 punten, terwijl een score van 8 punten volgens de conversietabel van de MRI voldoende is voor toekenning van klasse 1 van de MRI. Appellant moet dus in aanmerking blijven komen voor een klasse 1 toeslag. De Raad vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7142 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2007, 07/90 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 7 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2009. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.G.T.E. de Wit en F.S.A. el Masry, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en drs. P.R. Baarda, werkzaam bij Bureau Baarda BV te Waalwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was in dienst bij de gemeente Amsterdam. Met ingang van 1 juli 1995 was hij werkzaam in de functie van [naam functie A] (salarisschaal 8) bij de afdeling [naam afdeling A]. Per 1 september 1997 is hij bevorderd naar het maximum van salarisschaal 9 en is aan deze functie op basis van de Methode voor het rangordenen van inconveniënten (MRI), een inconveniëntentoeslag (hierna: MRI toeslag) volgens klasse 1 van de MRI toegekend. Appellant heeft tegen de indeling in klasse 1 geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Per 1 januari 2005 is appellant bevorderd naar de functie van [naam functie B] (salarisschaal 10) bij de afdeling [naam afdeling B]. Tevens is een MRI- toeslag toegekend volgens klasse 1 van de MRI. Daarbij is medegedeeld dat de MRI- toeslag opnieuw wordt gewaardeerd en dat deze, afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek, kan wijzigen. Appellant heeft ook deze waardering in klasse 1 niet in rechte aangevochten.

1.3. Een in opdracht van het college door Bureau Baarda ingesteld onderzoek heeft vervolgens geleid tot waardering van appellants functie in klasse 0 van de MRI. Naar aanleiding van deze uitkomst heeft het college appellant bij besluit van 15 augustus 2005 onder meer meegedeeld dat hij per 1 september 2005 niet meer voor toekenning van een MRItoeslag in aanmerking komt.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 29 november 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep onder meer gesteld, evenals in eerste aanleg, dat zijn uitvoerende taken sinds zijn indiensttreding in 1995 ongewijzigd zijn gebleven, terwijl sinds 1 januari 2005 zijn totale werklast aanmerkelijk is toegenomen doordat er coördinerende en beleidsmatige taken zijn bijgekomen. Evenals het college ziet de Raad in de typering van de functie [naam functie B] naar voren komen dat het bij die functie behorende takenpakket niet of nauwelijks uitvoerende taken omvat. Ter zitting van de Raad heeft het college echter onvoldoende weerlegd dat de uitvoerende taken die vóór 1 januari 2005 tot appellants takenpakket behoorden, na die datum niet bij anderen dan appellant zijn ondergebracht. Appellant heeft voorts onweersproken gesteld dat hij die taken na 1 januari 2005 is blijven uitoefenen en dat hij op geen enkele wijze

- anders dan voorheen - door anderen daarin werd ondersteund. Dit een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat appellant moet worden geacht in opdracht van het college de uitvoerende taken na 1 januari 2005 ongewijzigd en in volle omvang te hebben voort-gezet, naast de in de functietypering beschreven coördinerende en beleidsmatige taken. Daarvan uitgaande moet de Raad vaststellen dat de typering van de functie [naam functie B] in zoverre geen volledige weergave behelst van de aan appellant opgedragen werkzaamheden.

3.2. Nu deze onvolledige functietypering (mede) als uitgangspunt heeft gediend bij het waarderingsonderzoek en zowel de gedingstukken als hetgeen namens het college is betoogd naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat dit onderzoek zich mede heeft uitgestrekt tot de niet in de functietypering genoemde uitvoerende taken, kan het bestreden besluit niet in stand blijven wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.

3.3. Aangezien appellant in de periode voor 1 januari 2005 een toeslag volgens klasse 1 van de MRI was toegekend acht de Raad, mede bezien in het licht van het vorenover-wogene, de hier in geding zijnde MRIwaardering volgens klasse 0 niet houdbaar. Daarbij heeft de Raad laten meewegen dat die waardering, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de uitvoerende taken, al heeft geleid tot een score van 7 punten, terwijl een score van 8 punten volgens de conversietabel van de MRI voldoende is voor toekenning van klasse 1 van de MRI. Appellant moet dus in aanmerking blijven komen voor een klasse 1 toeslag.

4. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Hij zal het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2005, gegrond verklaren en dat besluit herroepen.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 november 2006;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2005 gegrond en herroept dat besluit;

Bepaalt dat het college aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 352,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en

G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en D.A.C. Slump als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD