Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
08-1679WIA+08-2349WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2008:BC4166, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening WGA-uitkering naar 35 tot 80%. 2) Besluit herroepen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Met bestreden besluit 2 is niet langer sprake van een resterende verdiencapaciteit van appellant in de zin van de Wet WIA en dat de inkomenseis, bedoeld in artikel 60, tweede en derde lid, van de Wet WIA gezien de mate van arbeidsongeschiktheid niet langer voor appellant geldt .Voor een principiële uitspraak over de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit en de inkomenseis, zoals door appellant is verzocht, ziet de Raad geen aanleiding. Juiste vaststelling medische beperkingen. Het Uwv heeft met betrekking tot appellant terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een medisch stabiele of verslechterende situatie dan wel een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. De inschatting van de bezwaarverzekeringsarts in het hier voorliggende geval berust op een voldoende deugdelijke afweging van de relevante feiten en omstandigheden. De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 juni 2007, LJN BA8553, van oordeel dat onder omstandigheden, na een gegrondverklaring van het beroep door de rechtbank waarbij het bestreden besluit is vernietigd en een nieuw besluit moet worden genomen, ook buiten de gevallen genoemd in artikel 7:3 van de Awb van het horen mag worden afgezien.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1679 WIA (gerectificeerde uitspraak)

08/2349 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 januari 2008, 07/1046 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar van 15 april 2008, nadien op een enkel punt gewijzigd bij brief van 17 juni 2008, overgelegd.

Bij brieven van 21 april 2008 en 21 juli 2008 heeft appellant zijn reactie op het nadere besluit ingezonden. Bij brief van 31 juli 2008 heeft het Uwv op deze reactie zijn commentaar gegeven. Bij brief van 5 februari 2009 heeft appellant zijn standpunt nogmaals uiteengezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Onzen.

II. OVERWEGINGEN

1. Naar aanleiding van een aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), heeft het Uwv bij besluit van 1 augustus 2006 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 28 augustus 2006 recht is ontstaan op een WGA-uitkering, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum moet worden gesteld op 35 tot 80%. Bij besluit van 10 april 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst geoordeeld dat vaststelling van de resterende verdiencapaciteit in de zin van de Wet WIA en de vaststelling van de inkomenseis, bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA niet zelfstandig op rechtsgevolg zijn gericht en zich ook niet lenen voor aparte vernietiging. De rechtbank heeft verder de medische grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat het berust op een onvoldoende arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen ter zake van proceskosten en griffierecht.

3. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het in rubriek I genoemde besluit op bezwaar van 15 april 2008, zoals gewijzigd bij brief van 17 juni 2008, genomen (hierna: bestreden besluit 2). Bij dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2006 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en vastgesteld dat voor appellant met ingang van 28 augustus 2006 recht is ontstaan op een WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Het Uwv neemt daarbij het standpunt in dat appellant weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar dat bij hem geen sprake is van een duurzame arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA.

4.1. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak oordeelt de Raad als volgt.

4.1.1. Appellant heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betoogd dat de vaststelling van zijn resterende verdiencapaciteit en de inkomenseis zelfstandige besluitonderdelen zijn. De wijziging hangende het bezwaar van de resterende verdiencapaciteit van 67% in 77% had moeten leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar. Verder heeft het Uwv de vaststelling van de inkomenseis ten onrechte achterwege gelaten. Een en ander had de rechtbank aanleiding moeten geven tot vernietiging van die besluitonderdelen van bestreden besluit 1. Appellant heeft voorts aangevoerd het niet eens te zijn met de medische grondslag van de schatting. Hij meent meer beperkt te zijn dan door het Uwv is vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Hij lijdt aan luchtweginfecties, gepaard gaande met koortsaanvallen en stemverlies, alsook aan ernstige vermoeidheid. Als gevolg hiervan kan hij geen continuïteit in arbeid leveren, zodat zijn volledige arbeidsongeschiktheid geacht moet worden duurzaam te zijn.

4.1.2. De Raad stelt vast dat met bestreden besluit 2 niet langer sprake is van een resterende verdiencapaciteit van appellant in de zin van de Wet WIA en dat de inkomenseis, bedoeld in artikel 60, tweede en derde lid, van de Wet WIA gezien de mate van arbeidsongeschiktheid niet langer voor appellant geldt. Het betoog van appellant, wat daarvan overigens zij, kan derhalve niet leiden tot het resultaat dat hij met het (hoger) beroep nastreeft. Voor een principiële uitspraak over de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit en de inkomenseis, zoals door appellant is verzocht, ziet de Raad geen aanleiding. De Raad heeft al vaker overwogen dat het de taak van de rechter is om geschillen te beslechten en niet om op verzoek van (een van de) partijen bij wijze van voorlichting overwegingen van principiële aard in zijn uitspraken op te nemen.

4.1.3. Met betrekking tot de medische beperkingen, zoals deze door de bezwaarverzekeringsarts zijn weergegeven in de FML van 29 januari 2007, heeft de Raad evenals de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid daarvan. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Appellant heeft geen objectieve medische gegevens ingebracht waaruit zou moeten blijken dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat.

4.1.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1.2 en 4.1.3 volgt dat de door appellant in hoger beroep geformuleerde grieven tegen de aangevallen uitspraak geen doel treffen.

4.2. Met betrekking tot het beroep tegen bestreden besluit 2 oordeelt de Raad als volgt.

4.2.1. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.2.2. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat bij appellant geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA heeft het Uwv gewezen op het bij bestreden besluit 2 gevoegde rapport van 7 april 2008 van de bezwaarverzekeringsarts. In dat rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts op grond van de beschikbare gegevens, waaronder de inlichtingen van de door appellant geraadpleegde longarts prof. dr. P.E. Postmus van 31 augustus 2006, uiteengezet dat met goede revalidatie (met name lichamelijke training) verbetering van de belastbaarheid van appellant te verwachten valt. In zijn inlichtingen heeft dr. Postmus te kennen gegeven dat indien appellant niet verder wordt blootgesteld aan aspecifieke prikkels de prognose van zijn aandoening goed is. Het Uwv heeft met betrekking tot appellant dan ook geconcludeerd dat geen sprake is van een medisch stabiele of verslechterende situatie dan wel een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. De Raad volgt dit standpunt van het Uwv. De nadere reactie van appellant komt erop neer dat hij meent dat dr. Postmus een verwachting onder een voorwaarde heeft uitgesproken en dat het voor hem in de praktijk lastig is aan deze voorwaarde te voldoen. Naar het oordeel van de Raad gaat appellant er aan voorbij dat bij de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting dient te maken van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen van de betrokken verzekerde, waarbij het herstelgedrag van de betrokkene zal worden betrokken. De Raad is van oordeel dat de inschatting van de bezwaarverzekeringsarts in het hier voorliggende geval berust op een voldoende deugdelijke afweging van de relevante feiten en omstandigheden.

4.2.3. Ten aanzien van de door appellant geformuleerde grief dat het Uwv in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hem niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord, zodat de hoorplicht in bezwaar is geschonden, overweegt de Raad als volgt.

4.2.4. Het Uwv heeft erop gewezen dat reeds op 20 november 2006 in aanwezigheid van een bezwaarverzekeringsarts een hoorzitting is gehouden. De aan bestreden besluit 2 ten grondslag liggende rapportage van 7 april 2008 van de bezwaarverzekeringsarts bevat geen nieuwe feiten, maar betreft een heroverweging van het besluit van 1 augustus 2006 op grondslag van de in bezwaar aangevoerde gronden.

4.2.5. De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 juni 2007, LJN BA8553, van oordeel dat onder omstandigheden, na een gegrondverklaring van het beroep door de rechtbank waarbij het bestreden besluit is vernietigd en een nieuw besluit moet worden genomen, ook buiten de gevallen genoemd in artikel 7:3 van de Awb van het horen mag worden afgezien. Dat zal met name het geval zijn indien in redelijkheid kan worden verwacht, gezien de afwezigheid van nieuwe feiten of gegevens, dat het opnieuw horen van de betrokkene tot niet meer zal kunnen leiden dan een herhaling van de reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet, nu sedert de hoorzitting van 20 november 2006 niet is gebleken van nieuwe feiten of gegevens. De Raad wijst erop dat bestreden besluit 2, waarbij appellant volledig arbeidsongeschikt is geacht, strekt ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, waarin is overwogen dat een van de drie aan appellant geduide functies niet geschikt voor hem is.

4.2.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.2.3 tot en met 4.2.5 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM