Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
08/270 WAZ + 08/271 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering met terugwerkende kracht per einde wachttijd, aangezien appellant nog werkzaam was in eigen bedrijf, en daaruit inkomsten genoot. Terugvordering. Inkomsten niet onjuist vastgesteld. Appellant had redelijkerwijs moeten begrijpen dat die inkomsten niet konden samengaan met een ongewijzigde voortzetting van zijn uitkering op basis van een volledige arbeidsongeschiktheid. Geen sprake van gewekte verwachtingen. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/270 WAZ + 08/271 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 november 2007, 06/695 en 06/4571 en de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 november 2007, 06/3433 (hierna respectievelijk aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Door appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2009, waar beide zaken gevoegd zijn behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door R. Boutens te Waddinxveen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan aangevallen uitspraak 1, waarin appellant als eiser en het Uwv als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“ Eiser viel op 5 april 1999 wegens ziekte uit voor zijn werk als zelfstandig tandtechnicus, waarna verweerder aan hem bij besluit van 27 november 2000 per 3 april 2000 (einde wachttijd) een uitkering krachtens de WAZ heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eind 2001/begin 2002 bleek verweerder uit een arbeidskundig rapport dat eiser deels nog werkte in het eigen bedrijf en daaruit inkomsten genoot en voorts dat dit per einde wachttijd ook al zo was en dat eiser daarmee niet 80-100%, maar 55-65% arbeidsongeschikt is. Bij schrijven van 15 maart 2002 is eiser door de arbeidsdeskundige van die bevindingen op de hoogte gesteld, waarbij tevens werd vermeld dat eventueel teveel betaalde uitkering zal worden verrekend. Daarop heeft verweerder op 10 maart 2005 –alsnog– beslist dat eiser per 3 april 2000 voor 55-65% arbeidsongeschikt wordt geacht”.

2.1. De Raad voegt daaraan het volgende toe. Het tegen het besluit van 10 maart 2005 gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 28 augustus 2006, hierna: bestreden besluit 1.

2.2. Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het Uwv een bedrag van € 20.962,86 van appellant teruggevorderd, als onverschuldigd aan hem betaald over het tijdvak van 3 april 2000 tot 1 maart 2005. Het tegen het besluit van 1 mei 2006 gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 15 juni 2006, hierna: bestreden besluit 2.

3.1. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 - onder meer - het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en bij aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank heeft in dit verband in aangevallen uitspraak 1, na te hebben overwogen dat op zich niet in geding is dat appellant per 3 april 2000 voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt is maar het hem te doen is om de aan de herziening van zijn uitkering per die datum verleende terugwerkende kracht, in de eerste plaats vastgesteld dat het Uwv ingevolge de door hem gehanteerde beleidsregels niet tot herziening met volledige terugwerkende kracht overgaat indien het aan een betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk was of redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat ten onrechte of te veel uitkering werd verstrekt.

3.3. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij sinds de toekenning van de uitkering per 3 april 2000 te veel uitkering kreeg. Dat het Uwv te lang is doorgegaan met betaling van een te hoge uitkering kan daaraan volgens de rechtbank niet afdoen. Het enkele - zij het aanmerkelijke en onnodige - tijdsverloop kan op zich niet leiden tot de vaststelling dat appellant erop mocht vertrouwen dat van herziening was afgezien, nu geen sprake is van een ondubbelzinnige uiting van het Uwv in die richting. Integendeel, de herziening was schriftelijk aan appellant aangezegd. Voorts kan de rechtbank appellant niet volgen in de stelling dat hij door het tijdsverloop in zijn verdediging is geschaad.

3.4. In aangevallen uitspraak 2, betreffende de terugvordering, heeft de rechtbank volstaan met de constatering dat de door appellant tegen het terugvorderingsbesluit aangevoerde grieven inhoudelijk de procedure betreffen die appellant voert tegen de herziening van zijn WAZ-uitkering, welke grieven het terugvorderingsbesluit niet kunnen aantasten.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat het hem redelijkerwijs niet duidelijk was en niet duidelijk kon zijn dat hij teveel uitkering ontving. Appellant verwijst hierbij wederom met nadruk naar de omstandigheid dat het Uwv, nadat al in november 2001 bij arbeidskundig onderzoek was onderkend dat hij vanwege zijn verdiensten nog maar arbeidsongeschikt was te achten naar een mate van 55 tot 65%, nog lange tijd is doorgegaan met het betalen van een uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant stelt dat hij daaruit heeft afgeleid en ook heeft mogen afleiden dat het Uwv bewust ervoor had gekozen af te zien van de eerder aangekondigde verlaging van zijn uitkering.

4.2. Daarnaast heeft appellant naar voren gebracht dat het Uwv een te groot deel van de bedrijfsinkomsten aan hem heeft toegerekend. De helft van het als zijn arbeidsinkomsten in aanmerking genomen bedrag, behoort volgens appellant namelijk aan zijn echtgenote te worden toegerekend. Appellant heeft ter onderbouwing van die stelling fiscale gegevens in het geding gebracht.

5.1. De Raad ziet de hoger beroepen van appellant niet slagen.

5.2. De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij appellant niet volgt in zijn hiervoor onder 4.2 weergegeven grief dat het Uwv bij de berekening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 3 april 2000 het aan zijn arbeidsverrichtingen toe te schrijven deel van de bedrijfsinkomsten te hoog heeft vastgesteld. Uit het arbeidskundig rapport van 26 november 2001 komt naar voren - ter zitting is dit desgevraagd van de zijde van appellant bevestigd - dat de arbeidsdeskundige bij die berekening is uitgegaan van door appellant zelf alsmede zijn boekhouder R. Boutens verstrekte (loon)gegevens. Appellant heeft blijkens evenvermeld rapport tegenover de arbeidsdeskundige aangegeven te werken in een omvang van ongeveer 20 uur per week, waarbij hij zich richt op het haal- en bezorgwerk en de lichte taken voor zijn rekening neemt. Ook werkt zijn vrouw mee. De arbeidsdeskundige heeft het bedrag van de inkomsten op maandbasis eerst verminderd met een door appellant ontvangen uitkering uit een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering en met zijn WAZ-uitkering en heeft het aldus gevonden bedrag omgerekend naar een uurbedrag, daarbij rekening houdend met de door appellant opgegeven arbeidsomvang per week van 20 uur.

5.3. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het aldus als zijn aandeel in de bedrijfsinkomsten vastgestelde bedrag van fl. 13,59 per uur, onjuist zou zijn. De door appellant in hoger beroep ingebrachte fiscale gegevens zien op het belastingjaar 2004 en kunnen reeds om die reden niet tot het door hem gewenste resultaat leiden, daar de ter beoordeling voorliggende datum 3 april 2000 is. Afgezien daarvan geldt dat uit de betreffende beschikking van de belastingdienst, waarbij kennelijk de aanvankelijke aanslag over het jaar 2004 is verminderd, maar welke verder niet is voorzien van enige toelichting of bijlage, niet kan blijken dat de fiscus, zoals appellant stelt, achteraf is akkoord gegaan met een verdeling van de bedrijfsinkomsten tussen hem en zijn echtgenote, overeenkomstig de verdeling zoals in de onderhavige procedure door appellant wordt voorgestaan. Ook overigens heeft appellant geen concrete gegevens overgelegd die zouden kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stellingen op dit punt.

5.4. Op grond van het overwogene onder 5.2 en 5.3 heeft de Raad geen aanknopingspunten om de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 3 april 2000 op 55 tot 65%, voor onjuist te houden.

5.5. Wat betreft de aan de herziening van appellants uitkering verleende terugwerkende kracht, kan de Raad zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank in aangevallen uitspraak 1 heeft overwogen en geoordeeld. Ook naar het oordeel van de Raad heeft appellant, gegeven de omvang van zijn arbeidsverrichting op en na 3 april 2000 en de daarmee door hem gegenereerde inkomsten als hiervoor vermeld, redelijkerwijs moeten begrijpen dat die inkomsten niet konden samengaan met een ongewijzigde voortzetting van zijn uitkering op basis van een volledige arbeidsongeschiktheid.

5.6. Het valt te betreuren - ook van de zijde van het Uwv is dit aangegeven - dat na het bekend raken met appellants inkomsten en de betekenis daarvan voor de hoogte van zijn uitkering, nog zo lang is doorgegaan met het verstrekken van een volledige uitkering. Die omstandigheid kan echter niet tot de door appellant voorgestane conclusie voeren dat bij hem op goede gronden de mening heeft kunnen postvatten dat het Uwv, uit coulance dan wel anderszins, bewust ervoor had gekozen om, in elk geval wat betreft het verleden, af te zien van de eerder aangekondigde herziening van zijn uitkering. Naar ook de rechtbank heeft overwogen, is niet kunnen blijken dat het Uwv zich in die zin tegenover appellant heeft uitgelaten, laat staan dat zulks gebeurd zou zijn op een voor het honoreren van appellants beroep op gewekte verwachtingen vereiste ondubbelzinnige en ongeclausuleerde wijze.

5.7. Nu het er aldus voor moet worden gehouden dat de uitkering van appellant terecht met terugwerkende kracht tot en met 3 april 2000 is herzien naar de klasse 55 tot 65%, staat tevens vast dat hetgeen vanaf die datum meer is betaald dan overeenkomstig die klasse, onverschuldigd aan appellant is betaald. Het Uwv is op grond van artikel 63 van de WAZ gehouden tot terugvordering daarvan. Niet is kunnen blijken van dringende redenen die het Uwv hadden moeten nopen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

6. Op grond van al het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten - te weten: voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard - dient te worden bevestigd, en dat ook aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG