Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
08/168 AW + 08/173 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing in belang van de dienst. Disciplinaire maatregel ongevraagd ontslag. Tegen appellant zijn drie klachten ingediend wegens seksuele intimidatie en hebben collega’s aan de leidinggevenden kenbaar gemaakt dat gevoelens van onbehagen, onveiligheid en angst bestaan met betrekking tot appellant. Appellant heeft de grenzen van het betamelijke overschreden. Niet gebleken is dat dit plichtsverzuim appellant niet valt toe te rekenen. Plichtsverzuim voorts voldoende ernstig om het gegeven strafontslag te kunnen rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/168 AW + 08/173 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 november 2007, 06/7005 en 07/1635 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de GGD Zuid-Holland West (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 14 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2009. Appellant is verschenen en het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.D. Buitenhek, juridisch adviseur.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de GGD Zuid-Holland West te [verbalisantstigingsplaats] op de afdeling [naam afdeling]. Vanaf voorjaar 2004 bestonden problemen in de samenwerking tussen appellant en een directe collega, die hij er van beschuldigde tegen hem te lobbyen. Daarna zijn werkafspraken gemaakt. Medio 2005 heeft er een woordenwisseling plaatsgevonden van appellant met deze collega. Voorts zijn tegen appellant drie klachten ingediend wegens seksuele intimidatie en hebben collega’s aan de leidinggevenden kenbaar gemaakt dat gevoelens van onbehagen, onveiligheid en angst bestaan met betrekking tot appellant. Met appellant zijn in de loop van 2005 hierover verscheidene gesprekken gevoerd, waarvan verslaglegging heeft plaatsgevonden. Over de verslaglegging is onenigheid ontstaan die heeft geleid tot een brief van appellant van 19 december 2005.

1.2. In die brief heeft appellant zich tot leidinggevenden gericht met een aantal vragen over de bijzondere omgangsvormen bij de GGD. De inhoud van die brief was de directe aanleiding voor schorsing van appellant in het belang van de dienst, welke schorsing bij besluit van 12 juli 2006 is gehandhaafd (besluit 1).

1.3. Op 7 maart 2006 is appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem bij wijze van disciplinaire maatregel ongevraagd ontslag te verlenen op grond van artikel 16:1:1 in verbinding met artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst/Zoetermeers Uitwerkingsovereenkomst. Nadat appellant zijn zienswijze had gegeven is hem bij besluit van 11 april 2006 strafontslag verleend met ingang van 1 juni 2006. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2007 (besluit 2).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank ten aanzien van besluit 2 overwogen dat de stukken onvoldoende aanknopingspunten bevatten voor de vaststelling van gevoelens van angst en onveiligheid. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de klachten betreffende seksuele intimidatie evenmin kunnen worden meegewogen in de besluitvorming, aangezien appellant nimmer met concrete beschuldigingen is geconfronteerd en hij zich daartegen dus niet heeft kunnen verdedigen. In zoverre acht de rechtbank geen sprake van plichtsverzuim. De rechtbank heeft besluit 2 niettemin houdbaar geacht vanwege de wijze van communiceren van appellant en daarbij gewezen op de inhoud van een aantal brieven van appellant aan het dagelijks bestuur en de bezwaarschriftencommissie.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Voor zover appellant in hoger beroep heeft aangevoerd dat de rechtbank niet onpartijdig is geweest in haar oordeelsvorming en deel uitmaakt van een rechtssysteem dat zichzelf in stand houdt overweegt de Raad dat hij in die stelling, welke niet nader is onderbouwd, geen aanknopingspunten heeft gevonden voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4. Met betrekking tot besluit 1 stelt de Raad vast dat het hier gaat om een schorsing in het belang van de dienst. Met de rechtbank acht de Raad voldoende aannemelijk geworden dat ten tijde van belang de onderlinge verhoudingen ernstig verstoord waren en dat sprake was van onrust onder de medewerkers als gevolg van het weerspannige optreden van appellant. De Raad is van oordeel dat het dagelijks bestuur zich gelet hierop terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanwezigheid van appellant op het werk in het licht van een goede bedrijfsvoering niet meer gewenst was. Niet gezegd kan worden dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid appellant te schorsen gebruik heeft kunnen maken.Anders dan appellant meent kunnen de omstandigheden waaronder het schorsingsbesluit aan hem is meegedeeld daarop niet van invloed zijn.

5.1. Met betrekking tot besluit 2 stelt de Raad voorop dat, nu het dagelijks bestuur blijkens het verweerschrift in hoger beroep uitdrukkelijk berust in de overwegingen van de rechtbank aangaande de omvang van het plichtsverzuim, bij de beantwoording van de vraag of het strafontslag terecht in stand is gelaten wat betreft het verweten plichtsverzuim uitsluitend aan de orde is of de wijze van communicatie van appellant met zijn werkgever is aan te merken als gedrag dat een ambtenaar in een openbare functie niet past.

5.2. De Raad stelt vast dat appellant zich bij brief van 19 december 2005 tot zijn werkgever heeft gericht op een wijze die minst genomen vragen oproept. Appellant bedient zich in die brief van termen als klikkernetwerken welke actief zouden zijn binnen de GGD, vraagt zich af of de klikkers worden betaald en waarom men hem lastig valt met idiote, amateuristische en walgelijke spelletjes. Appellant trekt voorts een vergelijking met bezetting, plundering, marteling en slachting. Bij brief van 13 februari 2006 heeft appellant zich als reactie op het voornemen hem te schorsen bijzonder beledigend uitgelaten tegenover de directeur van de GGD. Appellant, die meent dat hij onder valse voorwendsels naar de GGD is gelokt teneinde het besluit tot zijn schorsing in ontvangst te nemen, beschuldigt de directeur van leugens, bedreiging en vuile spelletjes. Daarbij geeft appellant in niet mis te verstane bewoordingen zijn mening over in de Nederlandse maatschappij heersende cultuur, omgangsvormen en dergelijke en hoe dat zich bij de GGD uit. Appellant heeft daarmee, zo heeft hij ter zitting verklaard, terug willen slaan, omdat hij zich onheus bejegend voelde.

5.3. De Raad stelt vast dat appellant daarmee de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Dat appellant dit welbewust heeft gedaan, omdat hij meende daartoe gerechtigd te zijn vanwege de behandeling die hem ten deel zou zijn gevallen, maakt dat naar het oordeel van de Raad niet anders. Wat er ook zij van die behandeling, daarin kan niet een legitimatie worden gevonden voor de wijze waarop appellant heeft gereageerd. Er is voorts sprake van doorgaand gedrag, ook nadat appellant er op is gewezen dat de wijze waarop hij zich uit niet acceptabel is. Dit wordt nog bevestigd door de inhoud van de brieven die appellant na het opgelegde strafontslag heeft gezonden aan de bezwaarschriftencommissie, waarin hij zich nog extremer heeft geuit over die leden, over zijn werkgever en over zijn collega’s. Doordat appellant niet aanspreekbaar is op dit gedrag, maar heeft laten weten daar trots op te zijn, heeft het dagelijks bestuur terecht overwogen dat appellant zijn eigen omgangsvormen wenst vast te stellen en zich niet wil voegen naar de gedragslijnen welke zijn werkgever hanteert. Dat is, ook naar het oordeel van de Raad, aan te merken als plichtsverzuim. Niet gebleken is dat dit plichtsverzuim appellant niet valt toe te rekenen.

5.4. De Raad acht dat plichtsverzuim voorts voldoende ernstig om het gegeven strafontslag te kunnen rechtvaardigen. Daarbij heeft de Raad overwogen dat van de zijde van het dagelijks bestuur herhaaldelijk is getracht appellant tot rede te brengen, maar dat dit niet is gelukt. Appellant is in zijn opstelling steeds extremer geworden, waardoor hij niet gehandhaafd kon worden.

5.5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD