Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
07-5144 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WiA-uitkering. Onderzoek in primaire fase door niet geregistreerd verzekeringsarts. Gebrek is in bezwaar hersteld. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in de FML neergelegde beperkingen. De door appellante zelf ervaren klachten zijn niet bepalend bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De schatting is gebaseerd op een voldoende aantal functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5144 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 augustus 2007, 06/2717 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 8 april 2009. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.B. Froentjes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker in een kippenslachterij. Op 6 september 2004 is zij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens rugklachten. Op 12 januari 2005 heeft zij een herniaoperatie ondergaan.

1.2. Bij besluit van 28 juni 2006 heeft het Uwv geweigerd appellante per 4 september 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 22 november 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het primaire verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door S.Tissingh, en dat deze een erkende verzekeringsarts is wiens gegevens zijn opgenomen in het BIG-register. De rechtbank heeft voorts de medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven.

3.1. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat Tissingh ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek geen geregistreerd verzekeringsarts was en dat het medisch onderzoek dan ook onzorgvuldig is geweest. Zij blijft van mening dat haar medische beperkingen op onjuiste wijze zijn vastgesteld en acht een onderzoek door een deskundige aangewezen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Met betrekking tot de vraag of Tissingh ten tijde van het primaire verzekeringsgeneeskundig onderzoek een geregistreerd verzekeringsarts was overweegt de Raad als volgt. Het Uwv heeft de Raad doen toekomen het diploma, gedateerd 17 april 2006, waaruit blijkt dat Tissingh de sociaal-geneeskundige opleiding Arbeid en Gezondheid in het deskundigheidsprofiel verzekeringsgeneeskunde met goed gevolg heeft voltooid. Voorts heeft het Uwv een afschrift van een ongedateerde Big-registratie van Tissingh doen toekomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv hieromtrent verklaard dat deze registratie eerst op 6 juli 2006, derhalve na het onderzoek van 13 april 2006, heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig door een bevoegde verzekeringsarts is uitgevoerd.

4.3. In zijn uitspraken van 18 juli 2007 (LJN BA9904, BA9905, BA9908, BA9909 en BA9910) heeft de Raad overwogen dat registratie als verzekeringsarts in beginsel borg staat voor een zekere kwaliteit en dat, zolang die registratie niet heeft plaatsgevonden, er in beginsel niet van kan worden uitgegaan dat de kwaliteit van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts voldoende is gewaarborgd. Een dergelijk gebrek kan in de bezwaarfase worden hersteld. De Raad acht daarbij een lichamelijk onderzoek niet steeds noodzakelijk.

4.4. Appellante is op 13 april 2006 onderzocht door de arts Tissingh. Deze arts heeft een anamnese afgenomen, appellante lichamelijk onderzocht en dossierstudie verricht met daarin onder meer informatie van orthopedisch chirurg G.N. Homminga van 12 april 2005, van neuroloog J.G. Koster van 14 juni 2005 en van neurochirurg E.W. Hoving. Tissingh heeft hierover uitgebreid gerapporteerd en verslag gedaan. Op basis van zijn bevindingen uit dit onderzoek heeft deze arts het standpunt ingenomen dat bij appellante sprake is van forse rugklachten, maar dat zij wel belastbaar is voor licht werk waarbij de rug niet te zwaar belast wordt en zij af en toe van houding kan verwisselen en dat voor een urenbeperking geen aanleiding bestaat. De aldus vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 april 2006.

4.5. In het kader van het bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts T. Miedema appellante tijdens de hoorzitting op 19 september 2006 gehoord en geobserveerd. Daarnaast heeft hij de in het dossier reeds vermeld staande medische gegevens en de in bezwaar door appellante ingebrachte recente informatie van dr. H.M. Koning, anesthesioloog bestudeerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft hiervan op inzichtelijke wijze verslag gedaan in zijn rapportage van 10 oktober 2006, waarbij hij ook zijn bevindingen van zijn observatie weergeeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij aangegeven dat er bij appellante sprake is van een mengbeeld van problemen, een radiculair beeld waardoor de rug objectief beperkt is met daarnaast een subjectief pijnsyndroom waarvoor geen verklaring bestaat en dat niet te objectiveren is. De bezwaarverzekeringsarts achtte het oordeel van de arts Tissingh over de beperkingen en mogelijkheden van appellante voldoende onderbouwd en in overeenstemming met de arbeidsongeschiktheidswetgeving.

4.6. De Raad is van oordeel dat in de primaire fase een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht en dat in de bezwaarfase een zorgvuldige beoordeling heeft plaatsgevonden door een wel als verzekeringsarts geregistreerde arts. Gelet voorts op de uitgebreide medische informatie waaruit een eenduidig beeld naar voren komt met betrekking tot de rugklachten kon naar het oordeel van de Raad een tweede lichamelijk onderzoek achterwege blijven. De Raad is dan ook van oordeel dat in het geval van appellante het onder 4.3. tot en met 4.5. gesignaleerde gebrek in de bezwaarfase afdoende is hersteld.

4.7. De Raad is voorts van oordeel dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de in de FML neergelegde beperkingen. Het Uwv heeft in navolging van zijn (bezwaar)verzekeringsarts terecht tot uitgangspunt genomen dat de door appellante zelf ervaren klachten niet bepalend zijn bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft geen nadere medische onderbouwing gegeven voor haar stelling dat zij meer of anders beperkt is dan door het Uwv is aangegeven dan wel dat zij als gevolg van haar rugklachten is aangewezen op een urenbeperking. De Raad ziet derhalve geen aanleiding tot het inschakelen van een deskundige.

4.8. Met betrekking tot de arbeidsdeskundige onderbouwing van het

bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv in navolging van zijn (bezwaar)arbeidsdeskundige appellante de volgende functies heeft voorgehouden: receptionist (Sbc-code 315150), wikkelaar (Sbc-code 267050), productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en kassamedewerker (Sbc-code 317030). De bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen is in haar rapportage van 10 november 2006 per functie gemotiveerd ingegaan op de signaleringen. Zij heeft daarbij de geschiktheid van de geduide functies ondanks het voorkomen van die signaleringen nader gemotiveerd. De Raad is in dit verband van oordeel dat met die motivering – in het midden latend of de functie van wikkelaar geschikt te achten is – de onderhavige schatting gebaseerd is op een voldoende aantal functies en dat op basis daarvan terecht de WIA-uitkering geweigerd is.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook – onder verbetering van gronden - te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. Van Voorst, C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.

TM