Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
08-2525 ANW + 08-2526 ANW +08-3840 ANW + 08-3842 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking nabestaandenuitkering. Gezamenlijke huishouding. Terugvordering, bij nieuw besluit periode gewijzigd. Wijze van invordering. Objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Wederzijdse zorg. Terecht ANW-uitkering ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2525 ANW

08/2526 ANW

08/3840 ANW

08/3842 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 maart 2008, 06/2350 en 06/2713 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 19 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Stoel, advocaat te Dronten, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stoel. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 1 augustus 1998 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een bij de Svb ingekomen anonieme tip van 12 mei 2005 dat appellante al zeven jaar zou samenwonen met [K.] (hierna: [K.]) heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn diverse instanties om inlichtingen verzocht, zijn observaties verricht en zijn appellante en [K.] alsmede diverse getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 april 2006. De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 19 mei 2006 het recht op nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 juli 1999 te beëindigen (lees: in te trekken). De besluitvorming berust op de overweging dat appellante in juni 1999, zonder daarvan mededeling te doen aan de Svb, een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [K.]. In verband daarmee heeft de Svb bij besluit van 5 juli 2006 de uitgekeerde nabestaandenuitkering over de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 april 2006 tot een totaalbedrag van € 81.328,50 van appellante teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 27 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2006 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 27 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2006 gegrond verklaard voor zover het betreft de wijze van invordering en het voor het overige ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, het beroep tegen de besluiten van 27 september 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard en de Svb opdracht gegeven zowel wat betreft de intrekking als de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, echter niet reeds vanaf 1 juli 1999 maar pas vanaf november 2001. In aansluiting hierop heeft de rechtbank voorts beslist dat de datum waarop de Svb de nabestaandenuitkering van appellante heeft beëindigd onjuist is en dat in verband daarmee ook de periode van terugvordering moet worden aangepast.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Hangende de behandeling in hoger beroep heeft de Svb, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 29 mei 2008 twee nieuwe besluiten op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar tegen de besluiten van 27 september 2006 gegrond verklaard zowel wat betreft de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding als de hoogte van de terugvordering. De bezwaren zijn voor het overige ongegrond verklaard. De Svb heeft de datum met ingang waarvan de nabestaandenuitkering van appellante is geëindigd daarbij vastgesteld op 30 november 2001 en het bedrag dat wordt teruggevorderd nader vastgesteld op een bedrag van € 54.597,29.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat met de besluiten van 29 mei 2008 niet ten volle tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. De Raad zal de besluiten van 29 mei 2008, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dan ook in zijn beoordeling betrekken. Nu de Svb zelf geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak zal de Raad zich beperken tot het antwoord op de vraag of appellante met [K] in november 2001 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren en of de Svb in verband daarmee op juiste gronden de nabestaandenuitkering over de periode van 1 december 2001 tot en met

30 april 2006 van appellante heeft teruggevorderd.

5.2. De vraag of sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 3, derde lid, van de Anw. Op grond van deze bepaling is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

5.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellante en [K.] met ingang van november 2001 samen hoofdverblijf hadden in de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats], waarmee is voldaan aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de Anw. De Raad kent daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de door appellante op 27 april 2006 afgelegde verklaring en ziet, evenals de rechtbank, in de in geding gebrachte medische rapportages onvoldoende grondslag voor het standpunt van appellante dat zij niet aan de door haar afgelegde verklaring kan worden gehouden. De Raad stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat de processen-verbaal van het verhoor van appellante door de sociaal rechercheurs op ambtseed/ambtsbelofte zijn opgemaakt en dat deze door appellante per bladzijde zijn getekend. Naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden. Anders dan appellante stelt, is de Raad in het bijzonder niet gebleken dat bij het verhoor van appellante sprake is geweest van ontoelaatbare druk, hetgeen mede valt af te leiden uit de gedetailleerde en chronologische weergave van de dagelijkse levensverrichtingen van appellante en van haar woonsituatie alsmede uit haar verklaring aan het eind van het verhoor dat zij tijdens het verhoor goed is behandeld en dat zij haar verklaring in vrijheid heeft afgelegd. Ook anderszins is niet gebleken dat appellante niet in staat was over haar dagelijkse woon- en leefsituatie gedurende de afgelopen jaren te verklaren. Voorts zijn in hoger beroep geen objectieve feiten en omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de verklaring van appellante niet juist kan zijn. De Raad stelt verder vast dat appellante samen met [K.] met ingang van 25 september 2001 de woning aan de [adres] te [woonplaats] van Woningvereniging [naam woningvereniging] heeft gehuurd en dat, nadat de sleutel op voormelde datum aan [K.] was overhandigd, deze woning - gelet ook op het niet betwiste hoge energieverbruik - niet lang daarna moet zijn betrokken. Overigens heeft [K.] bij de inschrijving in december 2000 bij [naam woningvereniging] opgegeven dat hij met appellante over woonruimte wilde beschikken omdat zij samen in een stacaravan woonden te [plaatsnaam]. Daarnaast neemt de Raad in aanmerking dat [K.] op de zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat de woning te [woonplaats] reeds was betrokken ten tijde van de verbouwing en dat [K.] op de zitting bij de Raad daaraan nog heeft toegevoegd dat hij zich eerst na de verbouwing in de gemeente [gemeentenaam] heeft laten inschrijven. Uit de verklaring van appellante blijkt dat, nadat de woning in huur was verkregen en na de verkoop van de caravan van [K.], zij gelijktijdig met [K.] de woning te [gemeentenaam] heeft betrokken. Dat [K.] zich pas per 4 januari 2002 in [gemeentenaam] heeft ingeschreven en dat appellante in het geheel niet ingeschreven heeft gestaan op het adres [adres] te [gemeentenaam] doet aan het voorgaande niet af. Het gaat immers om de feitelijke situatie.

De Raad komt evenals de rechtbank tot de conclusie dat appellante en [K.] in november 2001 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning (te [gemeentenaam]).

5.5. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

5.6. Gebleken is dat appellante en [K.] ten tijde in geding samen de maaltijden nuttigen, dat appellante voor beiden wast en strijkt, en dat [K.] de klusjes in en rond het huis doet. Zij gaan samen op visite en ontvangen samen bezoek thuis. Ook zijn appellante en [K.] met elkaar op vakantie geweest. Appellante mag van de auto van [K.] gebruik maken en betaalt regelmatig de benzine. Bij ziekte helpen zij elkaar over en weer. De Raad is van oordeel dat voormelde gegevens voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat ten tijde in geding tevens aan het tweede criterium van artikel 3, derde lid van de Anw, dat van de wederzijdse zorg, werd voldaan.

5.7. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met en 5.6 is overwogen vloeit voort dat appellante en [K.] in november 2001 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Anw zijn gaan voeren. Dit betekent dat het recht op nabestaandenuitkering van appellante op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, in verbinding met het tweede lid, van de Anw met ingang van 1 december 2001 is geëindigd. Appellante heeft in strijd met de ingevolge artikel 35 van de Anw op haar rustende inlichtingenverplichting aan de Svb niet meegedeeld dat zij in november 2001 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Als gevolg daarvan is aan appellante vanaf 1 december 2001 ten onrechte nabestaandenuitkering verleend, zodat de Svb op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw gehouden was die uitkering met ingang van 1 december 2001 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw op grond waarvan de Svb kon besluiten geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

5.8. Met het voorgaande is gegeven dat ten aanzien van de periode van 1 december 2001 tot en met 30 april 2006 tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 53, eerste lid, van de Anw, zodat de Svb gehouden was de over die periode verleende nabestaandenuitkering van appellante terug te vorderen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen in de zin van artikel 53, vierde lid, van de Anw op grond waarvan de Svb kon besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

5.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb met zijn besluiten van 29 mei 2008 een juiste uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat daarin, zoals ter zitting is besproken, de periode waarop de terugvordering ziet moet worden gelezen als te lopen van 1 december 2001 tot en met 30 april 2006. Niettemin kunnen deze besluiten niet in stand blijven, aangezien de Svb heeft nagelaten de in de bezwaarfase door appellante gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Appellante heeft het verzoek daartoe tijdig gedaan. Dit brengt met zich dat het beroep voor zover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen deze besluiten gegrond zal worden verklaard en dat deze besluiten in zoverre voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad zal zelf in deze kwestie voorzien door de Svb te veroordelen tot vergoeding van deze kosten tot een bedrag van € 966,--.

7. De Raad ziet ten slotte aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand en op € 26,30 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen de besluiten van 29 mei 2008 gegrond en vernietigt deze besluiten voor zover daarin niet is beslist over de in de bezwaarfase door appellante gemaakte kosten;

Veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.314,30, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het in hoger beroep door appellante betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en H.C.P. Venema en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.

(get.) C. van Viegen

(get.) N.L.E.M. Bynoe

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB