Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4624

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
08-5804 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Rechtbank vernietigt bestreden besluit op basis van het oordeel van een onafhankelijk deskundige. Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Uit de beantwoording door deze deskundige van de -uitdrukkelijk op 2005 gerichte - vraagstelling komt onmiskenbaar naar voren dat deze deskundige van mening is dat betrokkene in 2005 niet belastbaar was gedurende 20 uur week en dat eerst in 2007 sprake is van een zodanig verbeterde longfunctie dat betrokkene in staat moet worden geacht gedurende 20 uur per week belastbaar te zijn. Geen redenen om het oordeel en de conclusies van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige niet te volgen. Ook de Raad concludeert dat het bestreden besluit op onjuiste medische grondslag berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5804 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2008, 05/2619 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 15 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Daarbij was gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink van 13 november 2008.

Namens betrokkene heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2009. Voor appellant is verschenen A.P. Prinsen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is in februari 2000 wegens longklachten uitgevallen voor haar in een omvang van 36 uur per week verrichte werkzaamheden als business consultant. Met ingang van 27 februari 2001 is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 19 januari 2005 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 14 maart 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het tegen het besluit van 19 januari 2005 door betrokkene gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 september 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 juli 2005 is neergelegd dat betrokkene niet ’s nachts kan werken en ’s morgens pas vanaf 11.00 uur kan starten. Zij wordt geacht gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week te kunnen werken.

2.1. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming de longarts dr. C.F. Melissant als deskundige geraadpleegd. Deze deskundige heeft op 18 april 2007, en aanvullend op 18 juli 2007 en 28 april 2008 aan de rechtbank gerapporteerd. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van haar uitspraak opnieuw op het bezwaar van betrokkene dient te beslissen.

2.2. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de conclusies van Melissant naar voren komt dat deze het zeer wel denkbaar acht dat betrokkene als gevolg van vermindering van de longfunctie met 50% omstreeks de datum in geding - 14 maart 2005 - dermate ernstig werd beperkt dat zij op dat moment niet gedurende twintig uur per week belastbaar was. In hetgeen door appellant naar voren is gebracht, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om van dit oordeel van de deskundige af te wijken. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de brief van behandelend longarts dr. E.J.M. Weersink van 8 oktober 2007 volgt dat de longfunctie van betrokkene eerst bij de meting van 27 juni 2005 - dus drie maanden ná de datum in geding - weer terug was op het peil van juli 2004, alsmede dat betrokkene in juli 2004 een WAO-uitkering had op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 6 september 2007 weer heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, terwijl ook de bezwaarverzekeringsarts heeft erkend dat er in de medische situatie van betrokkene gedurende die jaren weinig is veranderd.

3.1. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en heeft daartoe - samengevat - aangevoerd, dat Melissant in zijn rapport van 18 april 2007 heeft aangegeven dat hij geen enkele reden heeft om te twijfelen aan de in de FML van 6 juli 2005 vastgestelde belastbaarheid, dat hij zich niet kan voorstellen dat 20 uur werken in de week vanaf 11.00 uur niet haalbaar zou zijn voor betrokkene en dat hij geen reden heeft te denken dat het voor betrokkene niet mogelijk zou zijn de geduide functies te vervullen. Voorts heeft appellant gewezen op de brief van Melissant van 28 april 2008. Daarin heeft de deskundige gesteld dat hij in het bij wijze van contra-expertise op verzoek van betrokkene opgestelde rapport van de longarts dr. J.S. van der Zee van 28 januari 2008, waarin deze stelt dat in 2005 een belasting van 20 uur per week te veel is gebleken, geen reden ziet het eerder door hem ingenomen standpunt te herroepen. Ten slotte heeft appellant over de reactie van Melissant van 18 juli 2007 opgemerkt, dat daarin geen ander standpunt wordt ingenomen. Onder het kopje “2. Belastbaarheid 2005” geeft de deskundige immers aan dat het hem inderdaad lijkt dat betrokkene 20 uur kan werken.

3.2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat uit de reactie van de deskundige Melissant van 18 juli 2007 duidelijk blijkt dat hij van mening is dat zij in januari 2005 niet voor 20 uur per week belastbaar was.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Naar aanleiding van het door Melissant aan de rechtbank uitgebrachte rapport van 18 april 2007 heeft de rechtbank bij brief van 3 juli 2007 een aantal nadere vragen van betrokkene aan de deskundige voorgelegd. Eén van deze vragen had specifiek betrekking op de belastbaarheid van betrokkene in 2005. Volgens betrokkene zou in 2005 sprake zijn van een verslechtering van haar medische situatie ten opzichte van 2004 en 2006/2007. In 2005 zou zij niet gedurende 20 uur per week belastbaar zijn, zoals in de FML van 6 juli 2005 is neergelegd.

4.2. In zijn brief van 18 juli 2007 heeft Melissant onder meer het volgende geantwoord:

“2) Belastbaarheid 2005:

Als we zien dat in januari 2005 de ESC 71 % van voorspeld was, terwijl in juli 2004 deze waarde 121% van voorspeld was, dan is het voorstelbaar dat deze 50% mindering in januari 2005 geleid zal kunnen hebben tot een vaststelling van niet belastbaarheid gedurende 20 uur per week, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat hiervoor geen klippenklaar richtlijnen bestaan, maar als gezegd de delta 50% kan wel degelijk tot deze conclusie leiden. Over de verbetering in longfunctie nadien sprak ik reeds in mijn rapportage. Inderdaad is het zo dat de longfunctiewaarde in 2007 nog niet optimaal is, evenwel sterk in positieve zin verbetert het ten opzichte van voorheen, dusdanig dat mij inderdaad haalbaar lijkt gedurende 20 uur te moeten kunnen werken: wisselend patroon van longfunctiewaarde geeft een beeld dat past bij een astma dat niet stabiel is.”

5.1. De Raad is van oordeel dat uit de hiervoor in 4.2 weergegeven beantwoording door Melissant van de nadere - en uitdrukkelijk op 2005 gerichte - vraagstelling onmiskenbaar naar voren komt dat deze deskundige van mening is dat betrokkene in 2005 niet belastbaar was gedurende 20 uur week en dat eerst in 2007 sprake is van een zodanig verbeterde longfunctie dat betrokkene in staat moet worden geacht gedurende 20 uur per week belastbaar te zijn. De door appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak naar voren gebrachte beroepsgrond berust naar het oordeel van de Raad derhalve op een onjuiste lezing en interpretatie van de betreffende passage in de brief van Melissant van 18 juli 2007.

5.2. Nu ook overigens aan de Raad niet is kunnen blijken van redenen om het oordeel en de conclusies van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige Melissant niet te volgen, concludeert de Raad met de rechtbank dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist is te achten. Dat besluit is dan ook terecht door de rechtbank wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van beroep,

Rechtdoende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 433, - wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

JL