Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
08-4137 AOW + 08-6774 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN8110, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AOW. Appellant heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt, dat hij in enig tijdvak van omstreeks 1968 tot omstreeks 1974 dan wel van 1984 in Nederland heeft gewoond en gewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4137 AOW

08/6774 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2008, 07/976 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 14 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft de Svb tevens een nieuwe beslissing op bezwaar overgelegd.

Op verzoek van de Raad heeft de Svb nog een aantal stukken in het geding gebracht. Vervolgens heeft appellant diverse stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2009. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1931, heeft in maart 2006 bij brief aan de Svb verzocht om aan hem een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toe te kennen. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij van 1969 tot 1974 in Utrecht heeft gewerkt. Vervolgens heeft appellant op het aanvraagformulier om een AOW-pensioen medegedeeld dat hij van 1968 tot 1973 heeft gewerkt bij de [naam werkgever] te Utrecht, een importeur-groothandel in hout- en bouwproducten. Ter ondersteuning van die stelling heeft appellant een briefhoofd van deze onderneming overgelegd.

1.2. De Svb heeft vervolgens informatie ingewonnen omtrent de gestelde werkzaamheden van appellant en omtrent zijn gestelde verblijf hier te lande bij drie pensioenfondsen voor de houthandel en emballage industrie. Verder heeft de Svb aan appellant meer informatie gevraagd. De pensioenfondsen hebben medegedeeld dat appellant geen premies aan die fondsen heeft afgedragen en niet bij hen bekend is. Appellant heeft een door de Svb toegezonden vragenformulier ingevuld geretourneerd, waarop is vermeld dat hij van 1969 tot 1984 bij [naam werkgever] heeft gewerkt.

1.3. Bij besluit van 7 september 2006 heeft de Svb geweigerd aan appellant een ouderdomspensioen krachtens de AOW toe te kennen, omdat niet is gebleken dat appellant verzekerd is geweest ingevolge die wet.

1.4. Naar aanleiding van het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de Svb nog nadere inlichtingen ingewonnen bij de gemeente Utrecht, enkele pensioenfondsen en [naam werkgever]. De gemeente Utrecht heeft vervolgens medegedeeld dat appellant niet beschreven is in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van die gemeente. De overige verzoeken hebben niet geleid tot enige informatie omtrent werkzaamheden of verblijf van appellant hier te lande.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 2 februari 2007 (hierna: besluit 1) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Ter zitting bij de rechtbank heeft de Svb besluit 1 ingetrokken vanwege gebreken die kleven aan het onderzoek naar de gestelde werkzaamheden van appellant in Nederland. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vervolgens het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat hij enige jaren in Nederland werkzaam is geweest.

3.2. De Svb heeft nader onderzoek verricht waaruit is gebleken dat appellant niet voorkomt in het historisch archief van de gemeente Utrecht en evenmin in het zogenoemde schakelregister. Voorts heeft [naam werkgever] aan de Svb medegedeeld dat appellant niet voorkomt in hun administratie. Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 3 oktober 2008 (hierna: besluit 2) heeft de Svb vervolgens het bezwaar ongegrond verklaard.

3.3. De Raad heeft aan partijen medegedeeld dat vooralsnog is besloten in deze procedure tevens een oordeel te geven over besluit 2.

4. De Raad overweegt het volgende.

Besluit 1.

4.1. De Raad stelt vast dat de rechtbank het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu de Svb besluit 2 ter zitting had ingetrokken en appellant geen belang meer had bij een inhoudelijk oordeel over dat besluit. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Besluit 2.

4.2. Tussen partijen is in geschil of appellant gedurende enig tijdvak verzekerd is geweest ingevolge de AOW op de grond dat hij in Nederland heeft gewoond - en toen ingezetene is geweest in de zin van artikel 3 van de AOW - of hier te lande heeft gewerkt en ter zake daarvan aan de loonbelasting onderworpen is geweest.

4.3. De Raad is van oordeel dat appellant zijn stelling, dat hij in enig tijdvak van omstreeks 1968 tot omstreeks 1974 dan wel van 1984 in Nederland heeft gewoond en gewerkt, niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt. Daarbij wijst de Raad erop dat appellant geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt van werkzaamheden hier te lande of waaruit afgeleid kan worden dat appellant toen naar de omstandigheden beoordeeld het centrum van zijn maatschappelijk leven in Nederland had. De Svb heeft op grond van de door appellant verstrekte summiere gegevens geprobeerd meer informatie te verkrijgen bij diverse pensioenfondsen, de gemeente Utrecht, [naam werkgever] en het schakelregister, maar deze pogingen hebben niet geleid tot gegevens welke de gestelde werkzaamheden en het gestelde verblijf hier te lande kunnen bevestigen.

4.4. De Raad is derhalve van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant gedurende enig tijdvak ingezetene is geweest van Nederland, dan wel ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan appellant als verzekerd aangemerkt zou kunnen worden.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard dient te worden.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

NK