Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
08-2099 WWB + 08-2100 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand in verband met kosten gemaakt voor diverse juridische procedures (onder meer: faxkosten, telefoonkosten en reiskosten). Het College heeft terecht aangenomen dat de aanvraag uitsluitend ziet op kosten die door appellanten zijn gemaakt in verband met door appellanten met behulp van hun advocaat gevoerde bestuursrechtelijke procedures.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/172
JWWB 2009, 145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2099 WWB

08/2100 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [Appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 februari 2008, 07/1657 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Offermans. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 15 december 2004 van de gemeente Venlo een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij brief van 22 maart 2007 heeft mr. Y. van der Linden, advocaat te Eindhoven en voormalige gemachtigde van appellanten, namens appellanten een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in verband met kosten gemaakt voor diverse juridische procedures (onder meer: faxkosten, telefoonkosten en reiskosten).

1.3. Bij besluit van 10 mei 2007 heeft het College, onder verwijzing naar de artikelen 5, aanhef en onder f, en 15 van de WWB, deze aanvraag voor zover deze ziet op de kosten van de advocaat van appellanten afgewezen op de grond dat de Wet rechtsbijstand een passende en voorliggende voorziening is die in dit geval toereikend zou moeten zijn. De kosten die appellanten zelf hebben gemaakt, zijn volgens het College geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten als bedoeld in artikel 35 van de WWB.

1.4. Appellanten hebben tegen het besluit van 10 mei 2007 bezwaar gemaakt, welk bezwaar - zo is op de hoorzitting van 22 augustus 2007 gebleken - uitsluitend ziet op de kosten die appellanten zelf hebben moeten maken. Bij besluit van 18 september 2007 heeft het College dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 september 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Anders dan appellanten is de Raad van oordeel dat het College terecht heeft aangenomen dat de aanvraag uitsluitend ziet op kosten die door appellanten zijn gemaakt in verband met door appellanten met behulp van mr. Van der Linden gevoerde bestuursrechtelijke procedures.

4.2. Voor de reiskosten die rechtstreeks verband houden met het bijwonen van de zittingen bij de bestuursrechter geldt het Besluit proceskosten bestuursrecht als een toereikende voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de WWB. Dat geldt ook voor hoorzittingen in de bezwaarfase, gelet op artikel 7:15, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellanten overigens meegedeeld dat appellanten geen vergoeding langs de weg van bijzondere bijstand vragen voor deze reiskosten.

4.3. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.4. Naar het oordeel van de Raad kunnen de onderhavige kosten waarvoor appellanten bijzondere bijstand hebben gevraagd - reiskosten, faxkosten, telefoonkosten gemaakt ten behoeve van het voeren van overleg met hun advocaat en het voorbereiden van zittingen - niet worden beschouwd als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35 van de WWB. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat aan appellanten voor het voeren van de bestuursrechtelijke procedures een advocaat was toegevoegd. In de vergoeding die de advocaat voor het verlenen van die rechtshulp ontvangt is begrepen een vergoeding voor het opstellen van beroep- en bezwaarschriften, voor administratieve kosten en voor telefoon- en faxkosten die de advocaat maakt in verband met het plegen van overleg met de cliƫnt. Appellanten hebben ervoor gekozen - zo is ook ter zitting van de Raad gebleken - met name vanwege slechte ervaringen met een advocaat die in het verleden een civiele procedure voor hen heeft gevoerd, zich uitdrukkelijk en intensief te bemoeien met de (inhoud van de) werkzaamheden van hun rechtshulpverlener. De Raad acht de noodzaak daarvan niet aangetoond. De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat deze keuze van appellanten voor hun rekening dient te blijven. Dat sprake is van een veelheid aan procedures - en daarmee van een cumulatie van kosten - acht de Raad tegen de achtergrond van het voorgaande onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

4.6. Appellanten hebben aangevoerd dat door de weigering van bijzondere bijstand voor de in geding zijnde kosten, aan hen het recht wordt ontnomen om op rechtsbescherming een beroep te doen. Zij hebben zich daarbij beroepen op het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en op het in artikel 13 van het EVRM verankerde recht op een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel. Deze beroepsgrond treft geen doel. Met het oog op de toegang tot de rechter is voorzien in een stelsel van gefinancierde rechtshulp. Daarnaast kan aan degenen aan wie een toevoeging is verleend en daarvoor ook overigens in aanmerking komen, bijzondere bijstand worden verleend voor het betalen van de eigen bijdrage. Daarmee zijn de in voormelde artikelen bedoelde rechten voldoende gewaarborgd.

4.7. Wat betreft het beroep dat appellanten nog op de artikelen 12 en 13 van het ESH hebben gedaan, verwijst de Raad naar het standpunt dat het College daarover in zijn verweerschrift heeft ingenomen, welk standpunt in overeenstemming is met de vaste rechtspraak van de Raad.

4.8. Van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB (zoals in de vaste rechtspraak van de Raad uitgelegd) kan in dit geval niet worden gesproken.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat het College de weigering van bijzondere bijstand terecht heeft gehandhaafd. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt, met enige verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter, en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2009.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.E. Giesen.

IJ