Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4421

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
08-1986 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na maatregel wordt aanvraag langdurigheidstoeslag afgewezen. Gemeentelijk beleid houdt in dat een belanghebbende met algemene bijstand geacht wordt voldoende te hebben getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen indien gedurende de referte periode van 60 maanden jegens hem geen verlaging is toegepast. Zoals de Raad eerder heeft uitgesproken wordt met een dergelijk beleid niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1986 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 februari 2008, 07/1832 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College).

Datum uitspraak: 4 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.P. Cornelissen, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009. Voor appellant is verschenen mr. Cornelissen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Helmond.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten enomstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote [echtgenote appellant] (verder: [echtgenote appellant]) ontvingen reeds jaren bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op die uitkering is bij besluit van 17 juli 2003 een verlaging van 10% over de maand augustus 2003 toegepast op de grond dat [echtgenote appellant] niet had meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Tegen de opgelegde maatregel is geen bezwaar gemaakt, zodat deze in rechte is komen vast te staan.

1.2. Na eerdere afwijzing van een aanvraag om langdurigheidstoeslag over 2005 hebben appellant en zijn echtgenote op 21 maart 2006 een langdurigheidstoeslag over het jaar 2006 bij het College aangevraagd.

1.3. Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 23 april 2007 heeft het College het besluit van 16 oktober 2006 gehandhaafd op de grond dat naar zijn oordeel [echtgenote appellant] gedurende de in artikel 36, eerste lid, van de WWB bedoelde periode van 60 maanden onvoldoende getracht heeft algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd en verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB is bepaald dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die gedurende de in onderdeel a van genoemd artikel bedoelde periode van 60 maanden naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

4.2. Het College heeft voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, onder c, van de WWB gestelde voorwaarde een beleid geformuleerd. Dit beleid, voor zover hier van belang, houdt in dat een belanghebbende met algemene bijstand geacht wordt voldoende te hebben getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen indien gedurende de referte periode van 60 maanden jegens hem geen verlaging is toegepast op basis van artikel 9 lid 2 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Helmond cq artikel 3, eerste lid, onder b en c, tweede lid, onder a en c, derde lid en vierde lid van het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ.

4.3. Zoals de Raad eerder heeft uitgesproken wordt met een dergelijk beleid niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden. Appellant heeft in hoger broep zijn grief herhaald dat het beleid niet redelijk is omdat ten tijde van het treffen van de maatregel voor appellant en zijn echtgenote onduidelijk was welke gevolgen dat nadien nog zou hebben en dat met de afwijzing van de langdurigheidstoeslag vanwege de eerder opgelegde maatregel feitelijk sprake is van een dubbele bestraffing. Met betrekking tot die grief volstaat de Raad met verwijzing naar de overwegingen ter zake in de aangevallen uitspraak, welke overwegingen door de Raad worden onderschreven. Hetgeen appellant in dit verband in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.4. De Raad stelt vast dat het College in de referteperiode, bij het onder 1.1 genoemde besluit van 17 juli 2003 jegens appellant en [echtgenote appellant] een verlaging heeft toegepast als bedoeld in het beleid. Dat betekent dat het College door de afwijzing van de aanvraag om langdurigheidstoeslag te handhaven heeft gehandeld in overeenstemming met het beleid.

4.5. Appellant heeft aangevoerd dat de gedraging die tot het besluit van 17 juli 2003 heeft geleid [echtgenote appellant] niet was te verwijten en dat hierin een bijzondere omstandigheid is gelegen die met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht aanleiding vormt om van het beleid af te wijken. De Raad volgt appellant hierin niet. De Raad ziet in de beschikbare gegevens geen grond voor de aanname dat [echtgenote appellant] geen verwijt treft. Uit die gegevens komt naar voren dat [echtgenote appellant] onder meer medewerking weigerde te verlenen aan een afspraak met een keuringsarts in verband met mogelijke werkzaamheden als schoonmaakster, op de grond dat ze allergisch is voor schoonmaakmiddelen.

4.6. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2009.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ