Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4408

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
08-2069 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordeling. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het beoordelingsbesluit heeft gegeven en de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. De Raad: Gegeven de keuze om een door betrokkene opgesteld en door de leidinggevende gefiatteerd IWP als basis van de beoordeling te nemen, mocht van het bestuursorgaan worden verwacht, dat de gezichtspunten waarop betrokkene zou worden beoordeeld daadwerkelijk in het IWP waren vermeld. Gedeputeerde Staten hebben niet met de bij het voorbereiden en nemen van een besluit vereiste zorgvuldigheid gehandeld door naast de in het IWP vermelde werkresultaten geheel andere gezichtspunten bij de beoordeling te betrekken, waarover tevoren geen duidelijke afspraken met betrokkene waren gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2069 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 25 februari 2008, 07/417 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellanten

Datum uitspraak: 29 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding met het nummer 07/5269 AW, plaatsgevonden op 19 maart 2009. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. C.C. Oberman, advocaat te Amsterdam, en door ing. S.J. Geerling, werkzaam bij de provincie Drenthe. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn partner [naam partner betrokkene].

In beide zaken wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene heeft vanaf 2001 als gevolg van een conflict met een leidinggevende thuis gezeten. Na een reorganisatie heeft hij sinds september 2004 de status van herplaatsingskandidaat. In de periode van 14 november 2005 tot 1 november 2006 heeft betrokkene bovenformatief en op projectbasis historisch dossieronderzoek verricht bij de Kamer van Koophandel te Meppel en het Drents Archief, om te bepalen of op bepaalde locaties potentieel bodemvervuilende activiteiten hebben plaatsgevonden (hierna: project).

1.2. In het kader van de behandeling van een door betrokkene gemaakt bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek tot plaatsing in de uitloopschaal hebben appellanten naar aanleiding van het advies van de Commissie Personele Aangelegenheden op 11 juli 2006 besloten, betrokkene door zijn leidinggevende te doen beoordelen op basis van de met hem gemaakte afspraken. In geval van een goede beoordeling zou betrokkene met terugwerkende kracht per 1 oktober 2005 naar de uitloopschaal worden bevorderd.

1.3. Op verzoek van zijn leidinggevende heeft betrokkene in augustus 2006 een individueel werkplan (hierna: IWP) opgesteld, dat als basis voor de beoordeling zou kunnen dienen. Dit IWP is op 3 oktober 2006 door de leidinggevende ondertekend. Op 15 december 2006 is de beoordeling vastgesteld; de beoordelingsperiode is van november 2005 tot november 2006. De gegeven kwalificaties zijn matig en onvoldoende. Bij besluit op bezwaar van 2 april 2007 hebben appellanten - voor zover hier van belang - de beoordeling gewijzigd, waarna deze opnieuw is vastgesteld. Het samenvattend oordeel behelst voor de onderdelen werkresultaten en ontwikkeling competenties, de kwalificatie matig. Ten slotte wordt vermeld dat geen bevordering naar de uitloopschaal zal plaatsvinden.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de beoordeling gegrond verklaard, dat besluit in zoverre vernietigd, en appellanten opgedragen een nieuw besluit met betrekking tot de beoordeling te nemen.

Daartoe heeft zij, kort samengevat, overwogen dat betrokkene alle afspraken die in het IWP zijn gemaakt, met goed resultaat is nagekomen. De rechtbank oordeelt voorts dat de negatieve waardering op de punten: lange doorlooptijd van zijn werkzaamheden, onvoldoende betrokkenheid en onvoldoende terugkoppeling over de voortgang, op onvoldoende gronden berust. Voorts is betrokkene volgens de rechtbank ten onrechte beoordeeld op zogenoemde “concerncompetenties”, nu daarover met betrokkene in het IWP geen afspraken zijn gemaakt.

3. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het beoordelingsbesluit heeft gegeven en de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. Mede naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad nog het volgende.

3.1. De Raad stelt vast dat de wijze van totstandkoming van de onderhavige beoordeling uitzonderlijk was. De Regeling jaargesprekken van de provincie Drenthe gaat uit van een reeks gesprekken gedurende een periode van in beginsel een jaar, te weten een planningsgesprek aan de hand van een IWP, een voortgangsgesprek en een evaluatie- en beoordelingsgesprek. In het onderhavige geval heeft, kennelijk vanwege de gewenste spoed bij de beoordeling, het planningsgesprek grotendeels betrekking gehad op werkzaamheden die reeds achter de rug waren, heeft er geen voortgangsgesprek plaatsgevonden, en heeft het beoordelingsgesprek al kort na het planningsgesprek plaatsgevonden. Hoewel de Regeling jaargesprekken er naar het oordeel van de Raad niet toe dwong ook in de onderhavige bijzondere situatie een IWP tot uitgangspunt te nemen, is de Raad van oordeel dat, gegeven de keuze om een door betrokkene opgesteld en door de leiding-gevende gefiatteerd IWP als basis van de beoordeling te nemen, van appellanten mocht worden verwacht, dat de gezichtspunten waarop betrokkene zou worden beoordeeld daadwerkelijk in het IWP waren vermeld. Appellanten hebben niet met de bij het voorbereiden en nemen van een besluit vereiste zorgvuldigheid gehandeld door naast de in het IWP vermelde werkresultaten geheel andere gezichtspunten bij de beoordeling te betrekken, waarover tevoren geen duidelijke afspraken met betrokkene waren gemaakt.

3.2. In hoger beroep hebben appellanten erkend dat het resultaat van de door betrokkene uitgevoerde projectwerkzaamheden naar behoren was. Naar het oordeel van de Raad hebben appellanten geen deugdelijke onderbouwing geleverd voor hun standpunt dat, afgezet tegen de bestede tijd, het totale resultaat zeer mager was, en dat betrokkene onvoldoende betrokken was en onvoldoende terugkoppelde over de voortgang.

Uit de gedingstukken blijkt wel dat het voor betrokkene en voor zijn leidinggevende moeilijk was om zicht te krijgen op de totaal voor het project benodigde tijd. De leidinggevende heeft met betrokkene - mede naar aanleiding van terugkoppelingen van betrokkene - herhaaldelijk gesproken over de voortgang, maar nergens blijkt dat hij betrokkene op te weinig inzet heeft aangesproken. Uit het gegeven dat de leidinggevende in juli 2006 aan betrokkene heeft meegedeeld dat het van groot belang was dat het project vóór 1 september 2006 zou worden afgerond, waarna betrokkene met de grootste spoed de resterende dossiers heeft afgedaan, kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat betrokkene voordien zeer langzaam heeft gewerkt, laat staan dat hij daarop toentertijd is aangesproken.

Appellanten hebben in hoger beroep nog verwezen naar een logboek van de leidinggevende, waaruit blijkt dat betrokkene op enkele momenten kort na de start van de projectwerkzaamheden in november 2005 niet aanwezig of niet bereikbaar was, en dat collega’s van betrokkene onder meer opmerkingen hebben gemaakt over de vele tijd die betrokkene aan het maken van bezwaarschriften besteedde. De gedingstukken geven echter geen uitsluitsel over de vraag, of de leidinggevende betrokkene vanwege deze punten daadwerkelijk heeft aangesproken op een gebrekkige inzet en betrokkenheid. Ter zitting van de Raad heeft de leidinggevende desgevraagd erkend, dat onduidelijk is gebleven, hoeveel tijd betrokkene aan zijn bezwaarschriften mocht besteden.

3.3. Wat betreft de beoordeling van betrokkene op de concerncompetenties doelgericht handelen, coöperatief gedrag en omgevingsbewustzijn merkt de Raad op dat het te meer voor de hand had gelegen daarover tevoren afspraken met betrokkene te maken, nu betrokkene gedurende ongeveer viereneenhalf jaar niet op het werk was geweest, en daarom niet van hem mocht worden verwacht dat hij zonder begeleiding raad wist met het recente fenomeen van competentie-ontwikkeling. De stelling van appellanten, dat het bij de concerncompetenties eigenlijk om niet meer gaat dan om hetgeen van iedere ambtenaar mag worden verwacht en dat vooraf spreken daarover dus eigenlijk niet nodig is, doet op geen enkele wijze recht aan letter en strekking van de Regeling jaargesprek-ken, die er juist vanuit gaat dat tevoren ontwikkelpunten worden geformuleerd en dat de medewerker gericht wordt ondersteund bij zijn persoonlijke ontwikkeling.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten worden bevestigd, met dien verstande dat appellanten bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar deze uitspraak van de Raad in acht dienen te nemen. Appellanten zullen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht kunnen besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

5. Met betrekking tot de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep van betrokkene verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden in het geding, nummer 07/5269 AW.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep aangevochten, met dien verstande dat appellanten een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Bepaalt dat van de provincie Drenthe een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.J. Schaap als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Lammerse.

HD