Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4395

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
07-6760 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordeling rechter in opleiding. In het licht van de uitlatingen van de opleiders in de eerste functioneringsverslagen en mede gezien de uitgebreide en gemotiveerde weerspreking van de kritiekpunten uit de eindbeoordeling door appellant, waarop verweerder in het geheel niet is ingegaan, is de Raad van oordeel dat de negatieve kwalificaties in de eindbeoordeling ten opzichte van de eerdere tussentijdse beoordelingen onvoldoende inzichtelijk zijn onderbouwd. Dat sprake was van zodanig ernstige tekortkomingen en misslagen in de laatste fase dat van het eerdere oordeel moest worden teruggekomen, acht de Raad onvoldoende aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6760 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], (hierna: appellant),

en

het Bestuur van de rechtbank Leeuwarden (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 19 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 november 2007 (hierna: bestreden besluit), waarbij zijn bezwaar tegen het eindoordeel over de opleidingsperiode in de sector Bestuursrecht, dat de beëindiging impliceerde van zijn opleiding tot rechter, ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.T. Marseille. Verweerder heeft zich laten vertegen-woordigen door mr. M.B. de Witte-van den Haak, advocaat te ’s-Gravenhage, en door mr. drs. E. de Witt, vice-president in de rechtbank Leeuwarden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in de periode 1 maart 2005 tot 30 november 2005 gedurende één dag per week als rechter in opleiding (RIO) opgeleid in de sector Strafrecht van de rechtbank Leeuwarden. Op 24 november 2005 is een beoordeling vastgesteld over deze opleidingsperiode. Het functioneren van appellant in de sector Strafrecht is op alle gezichtspunten beoordeeld met C (voldoende).

1.2. In de periode 15 mei 2006 tot medio maart 2007 heeft appellant zijn opleiding voortgezet in de sector Bestuursrecht. Volgens het opleidingsplan dient appellant vijf enkelvoudige zittingen (EK) te doen met per zitting vier zaken. In die zaken zal hij een instructie schrijven, zoveel mogelijk in de vorm van een conceptuitspraak, vervolgens de zaken ter zitting behandelen en schriftelijk uitspraak doen. Voorts zal hij deelnemen in twee meervoudige kamers (MK) en daar zaken ter zitting behandelen en een concept-uitspraak schrijven. Ten slotte is vastgelegd dat de opleiders elke drie maanden een functioneringsgesprek met appellant zullen hebben.

1.3. In oktober 2006 heeft het eerste functioneringsgesprek plaatsgevonden. Blijkens het daarvan opgemaakte verslag bevatten de instructies en uitspraken doorgaans het juiste toetsingskader en naar behoren gemotiveerde en verdedigbare conclusies. Appellant had volgens de opleiders aangetoond het bestuursrecht voldoende te beheersen. Wel diende appellant bondiger uitspraken te schrijven, bij zittingen de daarvoor geplande tijd in beginsel niet te overschrijden, meer sturing te geven, zijn tamelijk passieve uitstraling ter zitting te verbeteren en partijen niet te tutoyeren. Appellant zou deze aspecten de komende zittingen op een goede wijze moeten oppakken.

1.4. Op 11 januari 2007 heeft een volgend gesprek plaatsgevonden. Ten aanzien van de competentie zittingsvoorbereiding is opgemerkt dat deze voldoende is, maar verdere ontwikkeling verdient, waartoe is afgesproken dat appellant meer jurisprudentie dient te raadplegen en bij te voegen. Het optreden ter zitting is nog onvoldoende bevonden op de competenties stevigheid en luisteren; met name de regisserende en sturende rol behoeft aandacht. Wel heeft appellant de gesignaleerde ontwikkelpunten met betrekking tot het schrijven van uitspraken voldoende opgepakt. Afgesproken is dat appellant nog 10 extra EK-zaken op zitting zal behandelen teneinde te laten zien dat hij voldoende beschikt over de competenties stevigheid en luisteren.

1.5. Op 27 maart 2007 hebben de opleiders de eindbeoordeling opgemaakt. Vermeld is dat een van de opleiders in drie van de vijf ter zitting behandelde EK-zaken (nader omschreven) fundamentele kritiek had. Voorts was bij de voorbereiding van de MK-zitting - die appellant vanwege de complexiteit van de zaken niet had hoeven voorzitten - aan de andere opleider gebleken dat appellant de crux niet had onderkend. Bij de voorbespreking van de (extra) EK-zaken was ten slotte gebleken dat appellant in één van de zaken de omvang van het geding niet goed in het vizier had en in de overige zaken de voorbereide vragen niet adequaat waren.

Op grond van een en ander hebben de opleiders geconcludeerd dat de eerder aan de zittingsvoorbereiding gegeven kwalificatie “voldoende”, niet terecht was, omdat appellant niet voldoet aan de eisen met betrekking tot juridische probleemanalyse en oordeelsvorming. Daarbij is verwezen naar eerder geuite kritiek en is geconcludeerd dat de verwachting dat appellant zich in analytisch inhoudelijk opzicht tot een capabel bestuursrechter zou kunnen ontwikkelen niet is uitgekomen. Ook is kritiek geuit op leerbaarheid en houding van appellant. Wel was het optreden ter zitting waarop in de eerste periode veel kritiek was, aanzienlijk verbeterd.

2. In zijn op deze beoordeling gegeven zienswijze heeft appellant de kritiek van de opleiders gemotiveerd en gedetailleerd weersproken. Omdat er volgens de opleiders in de eindfase teveel juridische missers waren geweest en appellant op de competenties ‘juridische probleemanalyse en oordeelsvorming’ niet voldoende was blijven functioneren, heeft verweerder daarin geen reden gevonden het oordeel van de opleiders niet tot het zijne te maken en heeft hij bij besluit van 4 juni 2007 geconcludeerd dat appellant zijn opleiding niet met goed gevolg heeft afgesloten.

3. In zijn bezwaarschrift heeft appellant aangevoerd dat in de derde fase van de opleiding alleen nog de competentie ‘optreden ter zitting’ centraal zou staan - appellant hoefde ook geen instructies meer te schrijven - en dat de zittingen in de laatste fase van de opleiding, naar ook is erkend, goed zijn verlopen. Indien er nog twijfels waren over de competentie ‘zittingsvoorbereiding’ hadden de opleiders hem in de laatste fase ook nog instructies moeten laten schrijven. In dat verband heeft appellant voorts uitvoerig gemotiveerd en ondersteund door twee rapporten van experts op het terrein van het bestuursrecht betoogd dat hij in de bekritiseerde zaken juridisch verdedigbare standpunten heeft ingenomen, dat het dus niet schort aan juridische analyse en oordeelsvorming en dat de opleiders ten onrechte en zonder goede gronden zijn teruggekomen van hun eerdere positieve oordeel over de competentiecategorie ‘zittingsvoorbereiding’. Ten slotte is aangevoerd dat tekortkomingen op de aspecten leerbaarheid en houding nooit eerder ter sprake zijn geweest.

4. Bij het bestreden besluit van 1 november 2007 heeft verweerder met overneming van het advies van de ressortelijke bezwaaradviescommissie het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het eerder genomen besluit gehandhaafd. Daarbij is tevens overwogen dat geen mogelijkheden worden gezien voor het alsnog met goed gevolg afronden van de opleiding door appellant.

5. Appellant heeft in beroep zijn in bezwaar aangevoerde grieven gehandhaafd.

6. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

6.1. De conclusie van verweerder dat appellant de opleiding niet met goed gevolg heeft afgesloten, berust op een beoordeling van zijn functioneren in de sector Bestuursrecht tijdens zijn opleidingsperiode. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van een beoordeling overweegt de Raad dat die volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en TAR 1998, 191) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangs-punt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvol-doende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is, en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat er om of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waar-deringen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan.

6.2. De Raad onderschrijft op zichzelf het standpunt van verweerder dat voortgangs- of evaluatiegesprekken geen formele beoordeling inhouden, maar de stand van zaken van dat moment weergeven en dienen te worden bezien in het licht van de eisen waaraan een RIO in de desbetreffende fase van de opleiding dient te voldoen.

6.3. Niettemin acht de Raad van belang dat uit het verslag van het eerste gesprek in oktober 2006 onomwonden naar voren komt dat appellant in instructies en uitspraken doorgaans het juiste toetsingskader hanteert, tot naar behoren gemotiveerde en verdedigbare conclusies komt en dat appellant heeft getoond het bestuursrecht voldoende te beheersen. Kritiek wordt (slechts) geuit op de uitspraken die teveel overbodige gegevens bevatten en op de zittingen die nog niet naar wens verlopen. In het volgende gesprek in januari 2007 wordt de zittingsvoorbereiding opnieuw als voldoende beoordeeld - met de kanttekening dat deze verdere ontwikkeling verdient - en wordt het schrijven van uitspraken nu ook als voldoende beoordeeld. Alleen het optreden ter zitting wordt nog bekritiseerd in verband waarmee wordt afgesproken dat appellant nog 10 extra EK-zaken ter zitting zal behandelen. Uit de eindbeoordeling komt vervolgens naar voren dat het optreden ter zitting op alle eerder genoemde kritiekpunten aanzienlijk was verbeterd.

6.4. In het licht van de uitlatingen van de opleiders in de eerste functioneringsverslagen en mede gezien de uitgebreide en gemotiveerde weerspreking van de kritiekpunten uit de eindbeoordeling door appellant, waarop verweerder in het geheel niet is ingegaan, is de Raad van oordeel dat de negatieve kwalificaties in de eindbeoordeling ten opzichte van de eerdere tussentijdse beoordelingen onvoldoende inzichtelijk zijn onderbouwd. Dat sprake was van zodanig ernstige tekortkomingen en misslagen in de laatste fase dat van het eerdere oordeel moest worden teruggekomen, acht de Raad onvoldoende aangetoond. Gelet op het ontbreken van een inhoudelijke reactie en van het ontbreken van schriftelijke gegevens overigens, gaat de Raad er voorts van uit dat het geconstateerde motiveringsgebrek niet meer hersteld kan worden. Onder die omstandigheden acht de Raad het niet opportuun de discussie over de in de laatste fase geleverde producten te heropenen, maar komt het de Raad geraden voor dat aan appellant een herkansing wordt geboden in de vorm van verlenging van de opleiding in de sector Bestuursrecht voor een nader te bepalen periode, als voorzien in de punten 28 en volgende van het Opleidingsstatuut.

De Raad wijst er daarbij overigens op dat, gegeven de ook door appellant onderschreven maatstaf: ‘bij twijfel niet doen’, zijn functioneren in die herkansingsperiode boven iedere twijfel verheven dient te zijn.

7. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep van appellant slaagt en dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. De Raad zal tevens met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het primaire besluit herroepen.

8. Van met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt het bestreden besluit van 1 november 2007;

Herroept het besluit van 4 juni 2007;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie) aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD

Q