Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4356

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
06-6368 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. Dat de mogelijkheid ontbreekt om de ernst van de stoornissen -afwijkingen in de aandachtsconcentratie, zijn werkgeheugen en executieve functies- in beeld te brengen met een neuro-psychologisch onderzoek, omdat appellant de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, betekent nog niet dat met de toelichting ‘geen complexe materie’ in de FML bij de items concentreren en verdelen van de aandacht de beperkingen juist zijn verwoord. Bestreden besluit heeft onvoldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6368 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2006, 06/791 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 15 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft psychiater G. Nabarro benoemd als deskundige. Hij heeft op 5 november 2008 schriftelijk verslag gedaan van zijn onderzoek en de door de Raad gestelde vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2009. Appellant is verschenen met zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 juli 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 2 september 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan deze herziening liggen de rapportages ten grondslag van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, waarin zij beargumenteren dat appellant in staat is om met zijn in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) verwoorde beperkingen de aan hem voorgehouden functies te vervullen.

1.2. Het Uwv heeft het namens appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 25 november 2005 (hierna: bestreden besluit).

2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen van appellant. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het niet onderbouwde standpunt van de behandelend psychiater I. Goldwasser niet kan leiden tot het aannemen van meer beperkingen en evenmin noodzaakt tot de benoeming van een deskundige. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat voldoende inzichtelijk is gemaakt dat de voor appellant geselecteerde functies door hem kunnen worden vervuld.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat en dat hij in ieder geval niet in staat is om gedurende 8 uur per dag en 40 uur per week te werken.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Nabarro heeft in zijn rapport vastgesteld dat appellant lijdt aan een chronische depressieve stoornis, ernstig, zonder psychotische kenmerken en dat daarvan ook op 2 september 2005 sprake was. De deskundige heeft verder vastgesteld dat appellant een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur heeft en stoornissen in de impulsregulatie. Nabarro kan zich deels vinden in de beschrijving van de belastbaarheid van appellant door de (bezwaar)verzekeringsarts. Er zijn naar zijn oordeel geen redenen om aan te nemen dat appellant nooit meer betaalde arbeid zal kunnen verrichten en hij volgt niet de opvatting van Goldwasser dat appellant gelet op zijn kwetsbaarheid en stoornissen eigenlijk verplichtingsvrij zou moeten leven. Hij is wel van oordeel dat appellant niet in staat kan worden geacht om 40 uur per week te werken en wijst erop dat bij het forceren van werkhervatting de kans op agressieve impulsdoorbraken verhoogd wordt ingeschat. Nabarro legt verder vast dat de belastbaarheid van appellant wordt verminderd door afwijkingen in de aandachtsconcentratie, het werkgeheugen en de executieve functies, zoals dat regelmatig bij chronische depressieve stoornissen het geval is.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink betoogt dat de door de deskundige genoemde verhoogde kans op impulsdoorbraken en zijn oordeel dat appellant niet in staat zal zijn om 40 uur per week te werken, ook als wordt uitgegaan van niet te stressvol werk, niet zijn onderbouwd. Hij stelt verder dat Nabarro heeft nagelaten om in beeld te brengen welke extra beperkingen ten aanzien van aandacht, geheugen en handelings-tempo in de FML zouden moeten worden opgenomen.

4.3. Als reactie heeft Nabarro in zijn aanvullend rapport van 29 januari 2009 zijn inschatting van het optreden van impulsdoorbraken toegelicht met verwijzing naar agressieve incidenten die zich in het verleden hebben voorgedaan. Hij heeft verder toegelicht dat de door hem bij zijn psychiatrisch onderzoek vastgestelde stoornissen in aandacht, concentratie, geheugen en executieve functies zonder neuro-psychologisch onderzoek niet zijn te kwantificeren.

4.4. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. De Raad ziet geen aanleiding om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken en Nabarro niet te volgen.

4.5. Nabarro en De Vink verschillen met name van mening over de noodzaak van een verdergaande urenbeperking dan is opgenomen in de FML. Anders dan De Vink is de Raad van oordeel dat de deskundige genoegzaam heeft onderbouwd dat appellant op medische gronden vooralsnog niet in staat kan worden geacht om 40 uur per week te werken. In zijn aanvullende rapportage heeft Nabarro de ernst van het toestandsbeeld en de uit de geagiteerde depressie voortvloeiende noodzaak te voorkomen dat appellant onder druk komt te staan daarbij als aspecten benoemd die zijn oordeel dragen. De Raad ziet ook in het betoog van De Vink in zijn laatste rapportage van 24 februari 2009 geen reden om te oordelen dat Nabarro ten onrechte tot een urenbeperking concludeert.

4.6. Met betrekking tot de afwijkingen in de aandachtsconcentratie van appellant, zijn werkgeheugen en executieve functies stelt de Raad vast dat de deskundige in zijn aanvullende rapportage, en na kennis te hebben genomen van de reactie van De Vink, het standpunt heeft gehandhaafd dat de bij zijn onderzoek vastgestelde stoornissen de belastbaarheid van appellant verminderen. Dat de mogelijkheid ontbreekt om de ernst van de stoornissen in beeld te brengen met een neuro-psychologisch onderzoek, omdat appellant de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, betekent nog niet dat met de toelichting ‘geen complexe materie’ in de FML bij de items concentreren en verdelen van de aandacht de beperkingen juist zijn verwoord.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid met de FML niet volledig in beeld zijn gebracht en het bestreden besluit een onvoldoende medische grondslag heeft. De Raad zal dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Het Uwv zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en M. Greebe en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) J.M. Tason Avila.

MH