Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
07-5820 WWB + 07-5821 WWB + 09-965 WWB + 09-966 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de aanvankelijk onjuiste kwalificatie van de woon- en leefsituatie van betrokkenen het gevolg is van het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College niet heeft aangetoond dat betrokkenen de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Nu moet worden aangenomen dat betrokkenen daarin niet zijn tekortgeschoten, kan de omstandigheid dat zij hun situatie juridisch onjuist hebben gekwalificeerd - welke onjuiste kwalificatie bovendien overeenkwam met het oordeel van de behandelend ambtenaar - niet met zich brengen dat de inlichtingenverplichting is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5820 WWB

07/5821 WWB

09/965 WWB

09/966 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2007, 06/24 en 06/25 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkenen] (hierna: betrokkenen)

en

appellant

Datum uitspraak: 12 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Op 28 april 2008 heeft appellant een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Voor betrokkenen is verschenen mr. S. de Waard, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkenen ontvingen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), ieder naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van het project “Klant in beeld” is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. In het kader daarvan zijn betrokkenen op 24 augustus 2005 gehoord en heeft aansluitend een huisbezoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 september 2005. Appellant heeft hieraan de conclusie verbonden dat betrokkenen vanaf 9 oktober 2003 - de datum van inschrijving van betrokkene [betrokkene 1] op het adres van betrokkene [betrokkene 2] - met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat zij daarvan in strijd met de inlichtingenverplichting geen melding hebben gemaakt. Appellant heeft deze conclusie naderhand bevestigd gezien in het rapport een strafrechtelijk onderzoek tegen betrokkenen, gedateerd 6 april 2006.

1.2. Bij besluiten van 30 september 2005 heeft appellant met toepassing van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van betrokkenen met ingang van 9 oktober 2003 ingetrokken.

1.3. Bij besluiten van 6 december 2005 heeft appellant de bezwaren van betrokkenen ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkenen gegrond verklaard, de besluiten van 6 december 2005 vernietigd en bepaald dat appellant nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen. Voorts zijn bepalingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe - voor zover hier van belang - overwogen dat betrokkenen hun verplichting tot het verstrekken van inlichtingen omtrent hun woonsituatie voldoende zijn nagekomen, zodat appellant niet op de aangegeven grond tot het intrekken van de bijstand bevoegd was.

3. Bij het in rubriek I vermelde besluit van 28 april 2008 heeft appellant, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, de bezwaren van betrokkenen gegrond verklaard en de besluiten van 30 september 2005 ingetrokken (lees: herroepen). Dit besluit wordt op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het geding betrokken.

4. In hoger beroep heeft appellant opnieuw het standpunt ingenomen dat betrokkenen de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB (en, naar de Raad begrijpt, artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet) op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en de bijstand om die reden mocht worden ingetrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is betrokkene [betrokkene 2] na een echtscheiding door betrokkene [betrokkene 1] opgevangen op diens adres aan de Zeedijk, waar [betrokkene 1] een café exploiteerde. Op 6 maart 2003 heeft daar een huisbezoek plaatsgevonden, ter beoordeling van de woonsituatie van betrokkene [betrokkene 2] met het oog op de aan haar te verlenen bijstand. Mede omdat geen financiële verstrengeling werd vastgesteld, is [betrokkene 2] toen als alleenstaande aangemerkt. Omstreeks 29 september 2003 is [betrokkene 2] verhuisd naar de [adres]. Betrokkene [betrokkene 1], die inmiddels zijn bedrijf aan de Zeedijk had moeten staken en ook bijstand had aangevraagd, is eveneens daarheen verhuisd. In de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) staat hij vanaf 9 oktober 2003 op het adres [adres] ingeschreven. Blijkens ambtelijke rapportages van 18 november 2003 en 26 januari 2004 is bij de intake van [betrokkene 1] naar voren gekomen dat het ging om tijdelijke inwoning, in afwachting van het beschikbaar komen van eigen woonruimte. Mede gelet op de indertijd aan de Zeedijk aangetroffen situatie, heeft de behandelende ambtenaar geconcludeerd dat van een gezamenlijke huishouding geen sprake was. Bij het huisbezoek op 24 augustus 2005 is echter gebleken dat, ook al hebben betrokkenen geen affectieve relatie, hun woon- en leefsituatie toch beantwoordt aan de omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding in artikel 3, derde lid, van de WWB. Op zichzelf is dit niet meer in geschil.

5.2. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de aanvankelijk onjuiste kwalificatie van de woon- en leefsituatie van betrokkenen het gevolg is van het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen. Bij de beantwoording van deze vraag stelt de Raad voorop dat het bij een intrekking van bijstand, zoals hier aan de orde, gaat om een belastend besluit. Dit betekent dat de bewijslast in beginsel rust op appellant, ook wat betreft de beweerde schending van de inlichtingenverplichting door betrokkenen. Die schending is immers voorwaarde voor intrekking op de door appellant gehanteerde grond.

5.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet heeft aangetoond dat betrokkenen de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Vaststaat dat betrokkenen naar behoren melding hebben gemaakt van hun beider verhuizing naar de [adres]. Uit de ambtelijke rapportages van 18 november 2003 en 26 januari 2004 blijkt dat de woon- en leefsituatie op dit adres bij de intake uitdrukkelijk met betrokkene [betrokkene 1] is besproken. Hetgeen in die rapportages is vermeld, rechtvaardigt niet de conclusie dat [betrokkene 1] een onjuiste of onvolledige voorstelling van zaken heeft gegeven. Uit de rapportages blijkt niet welke vragen precies zijn gesteld en welke antwoorden daarop zijn gegeven, maar die omstandigheid dient voor risico van appellant te worden gelaten. Dat de behandelende ambtenaar, mede vanwege de resultaten van het huisbezoek in maart 2003 aan de Zeedijk, zonder nader onderzoek heeft geconcludeerd dat betrokkenen geen gezamenlijke huishouding voeren, komt eveneens voor rekening van appellant.

5.4. Dat betrokkenen op de “Verklaring hoofdbewoner” van 12 november 2003 en op het “Inlichtingenformulier nieuw adres” van 13 november 2003 hebben ingevuld dat [betrokkene 1] in de woning van [betrokkene 2] over een eigen kamer beschikt, maakt het vorenstaande niet anders. Deze verklaring was strikt genomen niet helemaal juist en volledig, omdat de zoon van [betrokkene 2] van deze kamer gebruik maakte wanneer hij bij zijn moeder thuis overnachtte en betrokkene [betrokkene 1] dan in de woonkamer sliep. Onweersproken is echter gesteld dat het daarbij slechts ging om incidentele gevallen - de zoon verbleef in de regel bij zijn vriendin - en dat [betrokkene 1] verder altijd van deze kamer gebruik maakte. Bovendien laten de door appellant voorgeschreven formulieren geen ruimte voor het vermelden van dit soort nuances en is het, mede gezien de onvolledigheid van de ambtelijke rapportages, niet onwaarschijnlijk dat betrokkenen mondeling een nadere toelichting hebben gegeven. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat, blijkens de rapportage van 18 november 2003, bij appellant bekend was dat de zoon formeel nog bij zijn moeder woonde.

5.5. Ook de omstandigheid dat betrokkene [betrokkene 1] op het formulier heeft aangekruist dat van een gezamenlijke huishouding geen sprake was, leidt niet tot een ander oordeel. Bij het naleven van de inlichtingenverplichting staat het verstrekken van juiste en volledige feitelijke gegevens voorop. Nu moet worden aangenomen dat betrokkenen daarin niet zijn tekortgeschoten, kan de omstandigheid dat zij hun situatie juridisch onjuist hebben gekwalificeerd - welke onjuiste kwalificatie bovendien overeenkwam met het oordeel van de behandelend ambtenaar - niet met zich brengen dat de inlichtingenverplichting is geschonden.

5.6. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 28 april 2008 is met die uitspraak in overeenstemming en wordt door betrokkenen ook overigens niet bestreden. Het daartegen gerichte beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

7. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 april 2008 ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet van de gemeente Amsterdam een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ