Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
07-5251 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Het College heeft geen looninformatie van het uitzendbureau verkregen. Met het College, en anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat voldoende vaststaat dat de uit Suwinet verkregen gegevens over de arbeidsverhouding van betrokkene tot het uitzendbureau afkomstig zijn van een andere instantie dan de belastingdienst, namelijk van het Uwv. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, behoorde de belastingdienst tot 1 januari 2006 niet tot de ketenpartners die klantgegevens aanleverden voor Suwinet. Tot die datum waren werkgevers verplicht om aan het Uwv melding te maken van een nieuw dienstverband en loonopgave te doen. Dat nader onderzoek bij de werkgever niet meer tot de mogelijkheden behoort, dient gelet op de bewijslastverdeling voor risico en rekening van het bestuursorgaan te blijven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/153 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5251 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam 3 augustus 2007, 06/2256 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 12 mei 2009.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2009. Appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggeman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Voor betrokkene is mr. Van Daalhuizen verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontvangt sinds 9 oktober 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een van de belastingdienst ontvangen zogeheten belastingsignaal betreffende de inkomsten van betrokkene over onder meer de periode van 17 april 2002 tot en met 31 december 2002 heeft appellant een onderzoek ingesteld. In dat kader heeft appellant looninformatie opgevraagd bij uitzendbureau [uitzendbureau] BV (hierna: [uitzendbureau]), waarbij betrokkene volgens de verkregen gegevens zou hebben gewerkt. [uitzendbureau] voerde in 2002 tot 16 juli 2002 Uitzendbureau [uitzendbureau] als handelsnaam en van 16 juli 2002 tot 2 december 2003 [uitzendbureau] BV. Van de zijde van [uitzendbureau] is geen looninformatie verkregen onder de mededeling dat het bedrijf is verkocht. Per 11 juli 2005 is [uitzendbureau] opgeheven. Appellant heeft vervolgens via Suwinet-inkijk gegevens uit Suwinet verkregen over de arbeidsverhoudingen van betrokkene.

1.3. Bij besluit van 21 oktober 2005, voorzover in hoger beroep van belang, heeft appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van betrokkene over de periode van 1 april 2002 tot en met 31 december 2002, rekening houdend met de verzwegen inkomsten uit arbeid bij [uitzendbureau], herzien dan wel ingetrokken en met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de over die periode verleende bijstand van betrokkene teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 26 april 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 21 oktober 2005 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 26 april 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voorzover het betrekking heeft op de in geding zijnde periode gelegen in 2002, bepaald dat appellant met betrekking tot het vernietigde gedeelte een nieuw besluit op het bezwaar neemt, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene. Daartoe heeft zij overwogen dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht waardoor ten onrechte dan wel te veel bijstandsuitkering is verstrekt. Betrokkene heeft altijd ontkend dat zij voor [uitzendbureau] heeft gewerkt. Nu appellant zijn standpunt alleen kan onderbouwen met gegevens van de belastingdienst is appellant niet in zijn bewijslast geslaagd. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de rechtspraak van de Raad waaruit volgt dat gegevens van de belastingdienst dienen te worden gecombineerd met andere gegevens, veelal de door de werkgevers verstrekte looninformatie. Door te verwijzen naar informatie die afkomstig is van Suwinet (Suwinet-Inkijk) heeft appellant niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast, nu niet is gebleken dat de daarop vermelde informatie afkomstig is van een andere instantie dan de belastingdienst.

De rechtbank acht het zeer goed aannemelijk dat de bron van de gegevens dezelfde is, namelijk de belastingdienst.

3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van dit oordeel bestreden. Daartoe is onder meer gesteld dat de gegevens die afkomstig zijn uit Suwinet worden samengesteld door de uitvoeringsorganen en niet door de belastingdienst, terwijl ten tijde van belang gold dat de werkgever - en dus niet de fiscus - de werknemer bij deze organen diende aan te melden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de intrekking van een eerder toegekend recht op bijstand, mitsdien een voor betrokkene belastend besluit. Dit brengt met zich mee dat het aan appellant is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en op appellant de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan.

4.2. In gevallen waarin appellant van de belastingdienst informatie ontvangt over door een belanghebbende genoten inkomsten uit arbeid, heeft appellant naar vaste rechtspraak in voldoende mate aan de onder 4.1 bedoelde onderzoeksplicht en bewijslast voldaan, indien de uit het onderzoek naar dat signaal van de werkgever en/of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verkregen gegevens de informatie van de belastingdienst bevestigen. Daarbij is wel vereist dat de uit beide bronnen verkregen gegevens op relevante onderdelen, waaronder het sofinummer van de belanghebbende, de werkgever, de arbeidsverhouding en het loon van de belanghebbende met elkaar overeenstemmen. Indien het gaat om werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst, ligt het naar het oordeel van de Raad uit een oogpunt van een evenwichtige bewijslastverdeling en gelet op de aan appellant als bestuursorgaan ter beschikking staande onderzoeksmogelijkheden tevens op de weg van appellant om in het kader van het onderzoek naar een belastingsignaal bij het uitzendbureau naast de loongegevens ook de naam van de inlener(s) op te vragen.

4.3. Indien aan de onder 4.2 vermelde vereisten is voldaan, kan hieraan de gevolgtrekking worden verbonden dat de belanghebbende inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, tenzij de belanghebbende het tegendeel aantoont althans aannemelijk maakt.

4.4. In het geval van betrokkene heeft appellant geen looninformatie van [uitzendbureau] verkregen omdat [uitzendbureau] is verkocht en per 11 juli 2005 heeft opgehouden te bestaan. Vervolgens heeft appellant Suwinet-inkijk geraadpleegd. Met appellant, en anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat voldoende vaststaat dat de uit Suwinet verkregen gegevens over de arbeidsverhouding van betrokkene tot [uitzendbureau] afkomstig zijn van een andere instantie dan de belastingdienst, namelijk van het Uwv. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, behoorde de belastingdienst tot 1 januari 2006 niet tot de ketenpartners die klantgegevens aanleverden voor Suwinet. Tot die datum waren werkgevers verplicht om aan het Uwv melding te maken van een nieuw dienstverband en loonopgave te doen.

Uit de gegevens van Suwinet is echter niet af te leiden bij welke inlener(s) betrokkene zou hebben gewerkt. In zoverre is appellant tekort geschoten in de voldoening aan de op hem rustende onderzoeksplicht.

4.5. Het onder rechtsoverweging 4.4 gegeven oordeel brengt mee dat het besluit van 26 april 2006 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant weliswaar slaagt, maar dat de rechtbank, zij het op andere gronden, het besluit van 26 april 2006 niettemin terecht heeft vernietigd voorzover dat ziet op het jaar 2002.

De Raad stelt vast dat aan het primaire besluit van 21 oktober 2005 hetzelfde gebrek kleeft en dat dat gebrek niet meer kan worden hersteld. Dat nader onderzoek bij de werkgever niet meer tot de mogelijkheden behoort, dient gelet op de onder 4.1 en 4.2 gegeven bewijslastverdeling voor risico en rekening van het bestuursorgaan te blijven.

De Raad ziet hierin aanleiding om, met vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover het College is opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, het besluit van 21 oktober 2005 in zoverre te herroepen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij appellant is opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen voorzover dat ziet op het jaar 2002;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor het overige;

Herroept het besluit van 21 oktober 2005 in zoverre.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) B.E. Giesen.

RB