Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
07/4885 WWB + 07/4886 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onaangekondigd huisbezoek. Geen "informed consent". Onrechtmatig verkregen bewijs. Bijstandsuitkering wordt gecontinueerd, dus nieuwe aanvraag is niet aan de orde. Kostenveroordeling in bezwaar, beroep en hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/196 met annotatie van R. Stijnen
USZ 2009/195 met annotatie van E. Rutten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4885 WWB

07/4886 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2007, 06/417 en 06/1143 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Hoebba. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 1984 met korte onderbreking bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. In het kader van het project “Klant in Beeld” hebben twee handhavingsmedewerkers van de afdeling Controle & Opsporing van de Sociale Dienst Amsterdam op 28 september 2005 onaangekondigd een bezoek afgelegd in de woning van appellante. Tijdens dat huisbezoek heeft appellante inlichtingen verstrekt over haar woon- en leefsituatie en tevens verklaard dat zij de afgelopen acht maanden dag en nacht bezig is geweest met het opstarten van een datingsite, genaamd “Tango42”. Zij heeft daarbij voorts verklaard dat zij op dat moment nog geen inkomsten ontving, dat de website nog gratis was totdat er 3000 leden zijn, dat zij als aankomend weblogger artikelen schreef voor de site, dat zij flyers heeft laten drukken en dat er een bestickerde auto meereed in de race Amsterdam-Dakar. Aansluitend aan het huisbezoek hebben de rapporteurs een nader onderzoek ingesteld op internet naar de activiteiten van appellante. Daaruit is onder meer gebleken dat er op 21 mei 2005 en op 8 oktober 2005 feesten zijn georganiseerd door “Tango42” in samenwerking met de organisatie Funfeelfree en dat “Tango42” het team 1122 van de Amsterdam Dakar Challenge sponsort. Verder bleek dat er twee internetsites waren gelinkt aan de naam van appellante. Het betreft twee webpagina’s van kunstenaars waarop appellante als art consultant stond vermeld. Het College heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gevonden bij besluit van 1 november 2005 de bijstand van appellante met ingang van 21 mei 2005 in te trekken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat als gevolg van meervoudige schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand van appellante niet (langer) kan worden vastgesteld.

1.3. Op 4 november 2005 heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 15 november 2005 afgewezen op de grond dat tussentijds niets wezenlijks in haar situatie was veranderd.

1.4. Bij besluit van 28 december 2005 (besluit 1) is het tegen het besluit van 1 november 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 17 januari 2006 (besluit 2) is het tegen het besluit van 15 november 2005 gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak zijn de tegen de besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is onder meer aangevoerd dat bij het afgelegde huisbezoek niet was voldaan aan de eis van “informed consent”, dat de tijdens het huisbezoek door appellante verstrekte inlichtingen over de activiteiten op en rond de datingsite als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moeten worden gelaten en dat dit laatste eveneens geldt voor de na het huisbezoek bij nader onderzoek via internet verkregen informatie. Verder is met name het hobbymatige karakter van de activiteiten van appellante nog eens onderstreept.

3.1. Het College stelt zich op het standpunt dat geen causaal verband bestaat tussen het huisbezoek en de door appellante omtrent de datingsite verstrekte inlichtingen, aangezien deze inlichtingen ook los van het huisbezoek elders (bijvoorbeeld op het kantoor van de Sociale Dienst) verstrekt hadden kunnen worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De intrekking van de bijstand

4.1.1. De Raad stelt voorop dat het College de intrekking van de bijstand ingaande 21 mei 2005 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 21 mei 2005 tot en met 1 november 2005.

4.1.2. De Raad stelt voorts vast dat voorafgaand aan het huisbezoek van 28 september 2005 voor het College geen aanleiding bestond om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellante voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens, zodat voor het afleggen van een huisbezoek geen redelijke grond aanwezig was. Volgens het ter zake van het huisbezoek opgemaakte verslag van 6 oktober 2005 en de rapportage van 25 oktober 2005 hebben de handhavingsmedewerkers zich gelegitimeerd en het doel van het onaangekondigde huisbezoek uitgelegd, waarna zij door appellante zijn binnengelaten, met appellante een gesprek hebben gevoerd en vervolgens alle afzonderlijke kamers/ruimten in de woning hebben bekeken. Uit het verslag en de rapportage blijkt niet dat zij bij hun binnentreden appellante erop hebben gewezen dat het weigeren van medewerking aan het huisbezoek geen directe gevolgen voor de verlening van bijstand zal hebben.

4.1.3. Met de gemachtigde van appellante is de Raad van oordeel dat niet is aangetoond dat is voldaan aan de hier te stellen eis van “informed consent”. Van de zijde van het College is dit ook niet betwist. Daaruit vloeit voort dat in het geval van appellante sprake is geweest van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Raad verwijst hierbij naar de rechtsoverwegingen 3 tot en met 6 van zijn uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410.

4.1.4. Dit betekent dat, in lijn met de onder punt 7 vermelde rechtsoverwegingen van genoemde uitspraak, de tijdens het huisbezoek van 28 september 2005 aan het licht gekomen gegevens moeten worden bestempeld als onrechtmatig verkregen bewijs en dat de resultaten van dat huisbezoek buiten beschouwing moeten worden gelaten. Naar het oordeel van de Raad is dat niet anders met betrekking tot de op 29 september 2005 via internet nader verkregen gegevens nu dit onderzoek direct gekoppeld was aan en slechts diende ter verificatie van de door appellante tijdens het huisbezoek afgelegde verklaringen over de datingsite “Tango42”. Het standpunt van het College dat een causaal verband ontbreekt tussen het onrechtmatige huisbezoek en de resultaten van het ingestelde onderzoek kan dan ook niet worden gevolgd. Ander bewijs op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat ten tijde in geding sprake was van meldingsplichtige op geld waardeerbare werkzaamheden of activiteiten waarmee werd beoogd of waarvan mocht worden verwacht dat deze (op termijn) inkomsten zouden opleveren, is niet voorhanden. Dit betekent dat het besluit van 28 december 2005 niet op een toereikende motivering berust en daarom in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.1.5. Uit hetgeen onder 4.1.2 tot en met 4.1.4 is overwogen vloeit voort dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het besluit van 28 december 2005 moet worden vernietigd. De Raad ziet voorts aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 1 november 2005 te herroepen, nu dit besluit berust op dezelfde ondeugdelijk gebleken grondslag en niet aannemelijk is dat dit motiveringsgebrek nog kan worden hersteld.

4.2. De nieuwe aanvraag

4.2.1. Hetgeen onder 4.1.5 is overwogen brengt met zich mee dat de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 21 mei 2005 wordt gecontinueerd, zodat achteraf bezien een nieuwe aanvraag om bijstand niet aan de orde is. Dit betekent dat het besluit van 17 januari 2006 reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt en dat het besluit van 15 november 2005 moet worden herroepen. Aangezien de rechtbank een en ander niet heeft onderkend dient de aangevallen uitspraak derhalve ook in zoverre te worden vernietigd.

5. Slotoverwegingen

5.1. De Raad ziet tot slot aanleiding het College te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van 28 december 2005 en 17 januari 2006;

Herroept de besluiten van 1 november 2005 en 15 november 2005;

Bepaalt dat appellante met ingang van 21 mei 2005 bijstand wordt verleend naar de voor haar toepasselijke norm;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 180,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

IJ