Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI4320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
19-05-2009
Zaaknummer
07-2127 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of een bedrag dat door de Svb ter verrekening van een schuld is ingehouden op de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2005, als bijdrage in het onderhoud van de kinderen in het vierde kwartaal moet worden aangemerkt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het ter verrekening ingehouden bedrag niet ten gunste van (de verzorgster van) de kinderen is gekomen en dus niet in aanmerking kan worden genomen als bijdrage in het onderhoud van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2127 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2007, 06/2992 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 7 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2009. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 30 januari 2006 heeft de Svb appellante kinderbijslag ten behoeve van vijf kinderen van haar echtgenoot over het vierde kwartaal van 2005 geweigerd op de grond dat appellante hen niet in belangrijke mate heeft onderhouden. De kinderen zijn woonachtig bij hun moeder in Marokko.

1.2. Bij het bestreden besluit van 6 juni 2006 heeft de Svb zijn besluit van 30 januari 2006 na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In geding is of appellante de vijf kinderen van haar echtgenoot voor wie aanspraak op kinderbijslag kan bestaan, in belangrijke mate heeft onderhouden. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of een bedrag dat door de Svb ter verrekening van een schuld is ingehouden op de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2005, als bijdrage in het onderhoud van de kinderen in het vierde kwartaal moet worden aangemerkt. Op de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2005, die in het vierde kwartaal van 2005 naar de moeder - en verzorgster - van de kinderen is overgemaakt, is op grond van een eerder afgegeven en in rechte onaantastbaar geworden terug- en invorderingsbesluit een bedrag in mindering gebracht. Een bedrag van € 305,97 is door de Svb aan de moeder van de kinderen overgemaakt.

3.2. De Svb stelt zich op het standpunt dat appellante met deze € 305,97, tezamen met het door appellante overgemaakte bedrag van € 745,80, zijnde in totaal € 1.051,77, in het vierde kwartaal van 2005 niet heeft voldaan aan de eis dat zij de kinderen in belangrijke mate, dat wil zeggen met ten minste € 386,- per kind, heeft onderhouden. Namens appellante is het standpunt ingenomen dat voor deze onderhoudseis het totale bedrag aan kinderbijslag over het derde kwartaal van 2005, te weten € 1.223.87, in aanmerking moet worden genomen. Tezamen met de door appellante overgemaakte € 745,80 heeft appellante aan de onderhoudseis voldaan, aldus haar gemachtigde.

3.3. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het ter verrekening ingehouden bedrag niet ten gunste van (de verzorgster van) de kinderen is gekomen en dus niet in aanmerking kan worden genomen als bijdrage in het onderhoud van de kinderen. Hij verwijst naar de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht. Hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, bevat geen nieuwe gezichtspunten en kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.

3.4. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

RB